Interview

‘Don’t mention the war’, is in Duitsland vaak het motto bij roofkunst

De directeur van het Suermond-Ludwig-Museum in Aken is expert in het terughalen van in de oorlog verdwenen kunstschatten. Dat Peter van den Brink Nederlander is, is daarbij een voordeel.

Peter van den Brink

Een fantoommuseum met tachtig zwart-witreproducties van verdwenen schilderijen, meer was het niet. Toch noemden critici de ‘Schaduwgalerij’ in het Suermondt-Ludwig-Museum in Aken in 2008 een ‘sensationele’ tentoonstelling. Nooit eerder had een Duits museum het lef gehad om zo direct aandacht te vragen voor in de oorlog verloren gegane kunst. „Conceptueel en ook cultuurpolitiek worden hier nieuwe wegen in geslagen”, stelde de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

Uit Duitse musea zijn in de Tweede Wereldoorlog ontelbaar veel schilderijen, tekeningen, prenten en boeken geroofd. Complete bibliotheken zijn verdwenen. Maar oorlogsverliezen aan de orde stellen, dat ligt in Duitsland gevoelig, zegt Peter van den Brink, de 61-jarige Nederlandse directeur van het Suermondt-Museum. „Don’t mention the war, dat is het motto. Duitsers vrezen het verwijt dat ze de Holocaust vergoelijken.” Als Nederlander in Duitse dienst kan hij met die „ontiegelijke druk” makkelijker omgaan, zegt de oud-hoofdconservator van het Bonnefantenmuseum in Maastricht.

Verlustkatalog

Veel Duitse kunstschatten zijn door het Rode Leger als oorlogstrofeeën meegenomen en bevinden zich vermoedelijk in Oekraïne en Rusland. Dat geldt waarschijnlijk ook voor de meeste van de 350 schilderijen die verdwenen uit het oorlogsdepot van het Suermondt-Museum in Saksen, de deelstaat die in 1945 onder Russisch beheer kwam.

Premiejagers verdienen geld aan gevonden roofkunst. Lees ook: De moderne premiejager zoekt niet de roofkunst, maar haar eigenaar

Van den Brink is een expert geworden in het terughalen van verloren kunstschatten. In de tien jaar sinds de presentatie van de Schaduwgalerij en de publicatie van een zogenoemde Verlustkatalog, met beschrijvingen van alle kunstwerken die Aken in de oorlog verloor, boekte hij de nodige successen. Niet alleen keert binnenkort na driekwart eeuw het negende schilderij terug naar het Suermondt-Museum, Van den Brink heeft ook een veel beter beeld gekregen waar de overige verdwenen kunstwerken zijn.

Het depot in Saksen waar het Suermondt-Ludwig-Museum in de oorlog zijn kunst had gesteld. De helft van de daar gestalde kunstwerken werd gestolen, het merendeel vermoedelijk door het Rode Leger.

76 schilderen op de Krim

Toen Van den Brink in 2005 in Aken aantrad, was van hooguit tien van de 350 verdwenen schilderijen bekend waar ze waren gebleven. Na de Schaduwgalerij kreeg Van den Brink een tip van een Duits echtpaar dat op een tentoonstelling in het museum van Simferopol diverse schilderijen uit Aken had zien hangen. Toen Van den Brink zelf naar de Krim reisde, telde hij tot zijn verrassing 76 schilderijen die uit het oorlogsdepot van zijn museum waren verdwenen.

Na jarenlang onderhandelen bereikte Van den Brink een akkoord over die schilderijen. Oekraïne zou het eigendomsrecht van de Duitsers erkennen, maar slechts vijf schilderijen die voor Aken kunsthistorische meerwaarde hebben, zouden daadwerkelijk naar Aken terugkeren. De rest zou alleen voor bruikleententoonstellingen in Aken beschikbaar komen. Ter compensatie kreeg het museum in Simferopol vijf schilderijen uit Aken cadeau.

De Russen zien het als staatsbezit

Een prachtig onderhandelingsresultaat voor beide partijen, zegt Van den Brink. Door het Duitse eigendom te erkennen, hoefden de Oekraïeners niet heimelijk meer te doen over hun roofkunst en konden ze de kunstwerken weer laten reizen naar buitenlandse tentoonstellingen, zonder te hoeven vrezen voor inbeslagname. Van den Brink: „De kunstwerken konden weer fungeren als kunstwerken.”

Maar direct na het akkoord annexeerde Rusland de Krim, en ging een streep door de overeenkomst. De Russen hebben alle van de Duitsers geroofde oorlogskunst immers bestempeld tot staatsbezit.

Van den Brink geeft de moed niet op. Hij zit in diverse Duitse commissies die contacten onderhouden met musea in Oekraïne en Rusland. Hij heeft ervaren dat de oorlog nog niet is afgelopen en dat onder Oekraïeners nog altijd angst voor Duitsers leeft. Vooral met informele contacten probeert hij vertrouwen terug te winnen en in kaart te brengen welke museummedewerkers hem welgezind zijn.

Kick

Kiev is de sleutel, zegt Van den Brink. „Daar is de meeste uit Duitsland afkomstige kunst.” Al verschillende keren kreeg hij toegang tot Oekraïense depots en mocht hij uit Duitsland afkomstige kunst documenteren. Soms ging dat zelfs om kunstwerken die in geen enkele Verlustkatalog zijn opgenomen.

Omgekeerd helpt hij ook Oekraïense musea om door de nazi’s gestolen kunst terug te krijgen. Zo is hij bezig om een schilderij dat uit een museum in Kiev is geroofd en dat in 2014 bij Christie’s werd geveild, terug te halen bij de koper.

Van den Brink prijst zijn werkgever dat hij een deel van zijn tijd mag besteden aan deze diplomatieke opdracht. „Iedere keer als een missie slaagt, geeft dat een kick. Ik heb het gevoel dat ik doe wat juist is.”