De moderne premiejager zoekt niet de roofkunst, maar haar eigenaar

Roofkunst

Decennialang zochten families naar hun kunst. Nu gaat de speurtocht ook de andere kant op, naar de families die recht hebben op gevonden roofkunst. Er valt geld mee te verdienen.

Jan Mostaert, Ontdekking van Amerika, ca. 1535. Voor de oorlog bezit van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker en in 2007 door Nederland gerestitueerd aan zijn erven. Het Rijksmuseum heeft het in 2013 van hen gekocht. Beeld Rijksmuseum

Een prachtige, zestiende-eeuwse Opwekking van Lazarus kwam deze zomer terug bij de rechtmatige eigenaar. Bijna tachtig jaar geleden was het paneel, geschilderd door een anonieme Duitse kunstenaar, in bezit gekomen van Hermann Göring, de tweede man van het Derde Rijk. Nu ging het werk, tijdens een kleine ceremonie in München, naar twee erfgenamen van de dochter van een Joodse kunstverzamelaar. Diens collectie werd kort na zijn dood in 1937 door de nazi’s geconfisqueerd en bij opbod verkocht.

Een erfgenaam ging met het schilderij op de foto, om daarna weer te vertrekken. Zonder het paneel, want dat bleef hangen waar het hing. Er was een prijs overeengekomen met de Beierse overheid. Nadat het decennialang onrechtmatig eigenaar was geweest, werd de Duitse deelstaat daarmee alsnog rechtmatig eigenaar.

Dat bezitters van roofkunst een regeling treffen met de nazaten van beroofde families is vrij gebruikelijk. Het kunstwerk is dan ‘schoongemaakt’, zoals dat in het veilingwezen heet.

Lazarusopwekking

Opmerkelijker is, op het eerste gezicht, dat deze nazaat tot voor kort de Lazarusopwekking niet kende, laat staan dat hij wist dat die hem toebehoorde. Maar ook dat blijkt, op het tweede gezicht, niet zo opmerkelijk. Het komt steeds vaker voor dat advocaten en restitutie-experts zelf restitutiezaken aanzwengelen. Ze zoeken nazaten die recht kunnen laten gelden op kunst waarvan vast is komen te staan dat die is geroofd, of onder dwang verkocht. Daarna bieden ze aan te bemiddelen of te procederen. Meestal in ruil voor een percentage van de taxatie- of verkoopwaarde.

In zekere zin, leggen kenners uit, is de opkomst van deze werkwijze het logische gevolg van het falen van overheden en musea om roofkunst te identificeren en, vooral, te restitueren. De Gurlitt-collectie laat dat goed zien. Herkomstdeskundigen hebben honderden werken geïdentificeerd als verdacht. Toch zijn er tot nog toe slechts vijf gerestitueerd. Anne Webber, van de Commission for Looted Art in Europe (CLAE, zonder winstoogmerk) zegt dat de afhandeling van de Gurlitt-collectie vanaf het allereerste begin „een gebrek aan transparantie en gevoel voor urgentie” liet zien die volgens haar typerend is voor bezitters van roofkunst, net als de onwil om met nazaten van rechthebbenden te praten. Webber: „Zelfs als musea hun identiteit kennen, zien maar een paar het als hun taak om ze te benaderen. Dat zet de deur natuurlijk wagenwijd open voor jagers.”

39 procent provisie

De erfgenamen in München waren benaderd door James Palmer, oprichter van Mondex Corporation, een bedrijf dat werkt in de nieuwe stijl. Mondex toucheert bij geslaagde restituties 39 procent van het bedrag dat de verkoop van de gerestitueerde kunst oplevert.

Palmer is niet de enige die zo werkt. Chris Marinello van Art Recovery International stuurt desgevraagd per e-mail enkele voorbeelden waarin hij op dezelfde manier opereerde. Een rondgang leert dat ook Christie’s en Sotheby’s, veilinghuizen met eigen restitutieafdelingen, soms naar rechthebbenden van roofkunst zoeken, maar dan als dienst aan hun cliënten. „Als we bij een cliënt roofkunst zien hangen”, legt een medewerker uit die anoniem wil blijven, „dan vertellen we dat en bieden we aan op zoek te gaan naar de erfgenamen, in de hoop dat we met hen een regeling kunnen treffen. Lukt dat, dan is de kunst weer schoon.” Voordeel daarvan, voor bezitter én veilinghuis, is dat verzamelaars met een gerust hart kunnen bieden. En verzamelaars met een gerust hart bieden hoger.

Goudstikker

Want geld speelt natuurlijk een rol. Bij restitutie gaat het vaak om werken die in bezit van musea en overheden zijn gekomen. Komen die ‘vrij’, dan worden er soms forse bedragen verdiend, door de rechthebbenden, veilinghuizen en bemiddelaars en advocaten. Het spectaculairste voorbeeld komt uit 2006, toen bleek hoeveel de advocaat Randol Schoenberg (kleinzoon van de Oostenrijkse componist Arnold Schoenberg) had verdiend met zijn werk voor Maria Altmann. Namens haar had hij succesvol vijf Klimt-portretten geclaimd, waaronder Vrouw in Goud, ook wel de Mona Lisa van Wenen genoemd. Schönberg ontving 40 procent van de opbrengst na verkoop van de portretten. Dat kwam neer op 170 miljoen dollar.

In Nederland liep vooral de restitutie in het oog van 202 schilderijen aan een Duits-Amerikaanse erfgename van kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Twee van haar Nederlandse advocaten verdienden daarmee ieder 7 miljoen euro, bruto.

Holocaust hustler

De advocaten in de zaak-Goudstikkerwerkten in de oude stijl: hun cliënten hadden hen benaderd. De bemiddelaars nieuwe stijl hebben meer vijanden. Zeker in de kunsthandel is niet iedereen van ze gecharmeerd. ‘Premiejagers’ noemt een kunsthandelaar ze. ‘Ambulance chasers’, zegt een ander. De advocaat van de Amerikaanse galeriehouder Helly Nahmad noemde Palmer in de New York Post, een tabloid, zelfs een „Holocaust hustler”, geen vriendelijke term.

Nu heeft die man reden om Palmer uit te schelden. Nahmad kan miljoenen verliezen als Mondex een zaak tegen hem wint over een Modigliani-schilderij in zijn bezit.

Toch zijn het niet alleen belanghebbenden die klagen. Marc Masurovsky van het Amerikaanse Holocaust Art Restitution Project (HARP, een organisatie zonder winstoogmerk) herhaalt in een e-mail wat hij al vaker heeft gezegd: „Ik vind het onethisch om een geheel bedrijfsmodel te bouwen rond roofkunst, terwijl je doet alsof het je om rechtvaardigheid gaat, niet om geld.”

Rechtvaardigheid

Juristen in restitutiekringen denken er doorgaans anders over. Inge van der Vlies, hoogleraar kunst en recht aan de Universiteit van Amsterdam en lid van de Nederlandse Restitutiecommissie, vat hun tegengeluid helder samen. Intenties van een advocaat, legt zij uit, doen er niet toe voor de rechtvaardigheid van een uiteindelijke beslissing. „Advocaten verdienen natuurlijk altijd geld met het probleem van hun cliënt, dat is hun werk. Soms wordt dat onethisch gevonden, omdat ze niet vrijwillig voor een hoger doel blijken te werken. Maar de praktijk leert: geld kan een goede motivatie zijn om onrecht op te sporen.”

Van der Vlies noemt als enige nadeel van deze werkwijze dat voornamelijk dure kunst zal worden geclaimd. Bemiddelaars die zich bij nabestaanden melden, zullen dit niet snel doen voor grootmoeders belangrijkste boek, of grootvaders antieke pijp, objecten van voornamelijk sentimentele waarde. Daar valt weinig mee te verdienen.

Aangereden door een bus

Palmer zelf, van Mondex, onderstreept hoeveel werk er zit in restituties. „De obstakels zijn enorm: het is moeilijk, duur en intens tijdrovend.” Zonder bedrijven als de zijne, die op provisiebasis werken, zouden alleen in herkomstonderzoek goed ingevoerde en welgestelde families kunnen claimen. Bovendien, zegt Palmer, gaat het lang niet altijd goed. „En als er geen restitutie volgt, is al het werk voor niets. En gratis verricht.” Eigenlijk moet je zijn bedrijf vergelijken, zegt hij later, met iemand die een oude dame naar het ziekenhuis brengt nadat ze is aangereden door een bus, ook als ze niet in staat is te zeggen dat ze dat wil. Palmer: „Niemand zou het normaal vinden als rechthebbenden geen hulp krijgen omdat ze niet voor zichzelf kunnen spreken.”

Niet iedereen is overtuigd van zoveel goedheid. Een handelaar die zich zorgen maakt over praktijken als die van Mondex, heeft een idee. Maak een regel, stelt hij voor, die bepaalt dat kunst niet mag worden verkocht in vijf tot tien jaar na restitutie. Dan wordt kunstrestitutie voor premiejagers minder interessant.

Van der Vlies, die vertelt dat de Restitutiecommissie in Nederland nog maar achttien claims heeft liggen: „De vraag is: wíllen we minder claims? Is het doel niet dat als overtuigend is aangetoond dat het om roofkunst gaat, die terugkeert naar de rechthebbenden? Als de samenleving ‘ja’ antwoordt op die vraag, dan is het irrelevant wie een zaak aanspant en waarom.”