Opinie

Amsterdam, met vlogs kun je radicalisering niet voorkomen

Een acteur laten vloggen om jongeren los te weken van de radicale islam? De gemeente Amsterdam had kunnen weten dat het weggegooid geld was, schrijft .
Illustratie Hajo

De gemeente Amsterdam staat sinds enkele maanden in de schijnwerpers vanwege het antiradicaliseringsbeleid. Wie het artikel ‘Hoe de gemeente Amsterdam haar ogen en oren in de stad verloor’ (1/11) leest, valt van de ene in de andere verbazing. Dacht de gemeente Amsterdam werkelijk dat vlogs van een acteur (die een deradicaliserende jongere speelt) effectief zouden kunnen zijn? Op welke grond berustte deze aanname dan? Men had kunnen weten dat je met heimelijke gemeentelijke vlogs geen radicalisering kunt voorkomen.

Sinds de moord op Theo van Gogh zijn we in Nederland bezig radicalisering te voorkomen en tegen te gaan. Over de opbrengsten van ruim een decennium antiradicaliseringsbeleid in Nederland weten we nog onvoldoende. We zijn overgeleverd aan niets meer dan de persoonlijke mening van enkelen die hun stempel op het beleid weten te drukken. Kijk maar naar de gemeente Amsterdam, waar het personeel, het netwerk van ‘sleutelfiguren’ en de inzet van voormalig extremisten al maanden onderwerp van discussie en controverse is.

De stapeling van incidenten legt een bredere vraag bloot: wat zijn effectieve interventies en wie zijn wel of niet geschikt om deze uit te voeren? Laten we om het antwoord op die vraag te vinden, beginnen met meer gebruikmaken van de wetenschappelijke en praktijkkennis van de landen om ons heen. Hieruit zijn belangrijke inzichten te destilleren voor het nationale en gemeentelijke antiradicaliseringsbeleid.

Zo weten we bijvoorbeeld dat veel landen gebruik maken van zogenaamde counter-narratives of alternative narratives om jongeren bij de radicale islam vandaan te houden. Het doel van deze ‘tegenverhalen’ is de extremistische boodschap te ontmantelen. Zo plaatste bijvoorbeeld het US Department of State foto’s van Raqqa als oorlogsgebied – hoezo is het geweldig in het kalifaat? Maar het effect van dit soort maatregelen wordt in steeds meer studies betwijfeld.

Als men desondanks voor dit soort interventies kiest, dan moet een aantal randvoorwaarden in acht genomen worden. Te beginnen met de afzender van het tegenverhaal. Dat kan het beste een sleutelfiguur uit de islamitische gemeenschap zijn. Zo iemand kan dat echter niet in zijn eentje en heeft steun nodig van bedrijven zoals YouTube en Facebook om te zorgen dat zijn tegenverhaal niet slechts door een handjevol mensen op het wereldwijde web gevonden wordt.

De overheid is geen geschikte partij om dit soort tegenverhalen te ontwikkelen of te verspreiden. Als de overheid zich daaraan wil wagen, kan dat hooguit een politiek tegenverhaal zijn over haar eigen rol, door bijvoorbeeld het narratief van ‘het Westen tegen de islam’ te ontkrachten en te benadrukken welke hulp er aan moslimlanden wordt geboden. Transparantie dient daarin voorop te staan. Een heimelijke operatie waarin de overheid een script ontwikkelt en mensen inhuurt om een alternatieve boodschap te verspreiden is in ieder geval een absolute no go. Sterker nog, de uitgelekte content illustreert dat het zelfs een negatief effect had kunnen hebben. Uitspraken als ‘Waarom is elke politieman een klootzak?’, kunnen de voedingsbodem voor radicalisering onder jongeren juist verhogen. Hoewel het Amsterdamse plan nooit tot uitvoering is gekomen, kun je je afvragen of het wenselijk is ruim 140.000 euro gemeenschapsgeld uit te geven als op basis van bestaande kennis en inzichten duidelijk is dat het project geen kans van slagen had.

Een andere belangrijk onderdeel in het tegengaan van radicalisering is deradicalisering. De discussie in Amsterdam over de inzet van ex-radicalen roept de vraag op wie wel en niet geschikt is om jongeren los te weken van radicalisme. Het kan wel degelijk effectief zijn om ex-radicalen in te zetten, mits ze ooit daadwerkelijk radicaal waren en vervolgens ook minimaal twee jaar zijn gedéradicaliseerd. Verder moeten ze gedegen worden opgeleid, begeleid én gemonitord.

Een radicaal verleden hebben is echter geen garantie om succesvol ingezet te kunnen worden voor deradicalisering. Etniciteit en (mate van) religiositeit zijn evenmin parameters voor succes. Een vertrouwensrelatie met het radicale individu, aansluiting bij zijn of haar leefwereld en inhoudelijke kennis van extremistische ideologie en radicaliseringsprocessen, zijn wel essentieel. Sterker nog, soms is het juist effectiever om iemand van buiten de gemeenschap een jongere te laten begeleiden. Mensen als de Duitse Claudia Dantschke, die vorige week de Stieg Larsson-prijs won voor onder andere haar jarenlange succesvolle begeleiding van jihadisten in hun deradicaliseringsproces, laten dat bij uitstek zien.

Kortom, het niet-benutten van bestaande wetenschappelijke en praktijkkennis, ondermijnt het effect van het antiradicaliseringsbeleid. We moeten daarom bestaande kennis gebruiken en nieuwe kennis creëren. Dat vraagt om continue evaluatie van het Nederlandse en gemeentelijke antiradicaliseringsbeleid. Dit lijkt mij een prioriteit voor de nieuwe minister van Justitie en Veiligheid. Het nieuwe regeerakkoord benoemt expliciet dat voor preventie en deradicalisering moet worden bezien welke aanpak effectief is. De vraag wat werkt, voor wie, door wie, in welke context en waarom, moet hoog op de politieke agenda komen te staan.