Familiestukken, roofkunst en entartete kunst: wat zit er in de Gurlitt-Collectie?

Wat voor collectie liet Hildebrand Gurlitt achter? Een omvangrijke mengelmoes van familiestukken, roofkunst en entartete kunst.

Wat voor collectie liet Cornelius het museum van Bern na? De catalogus van de exposities in Bonn en Bern geeft een goede indicatie. In Bern hangt allereerst ‘ontaarde’ kunst, veelal abstracte of expressionistische tekeningen en grafiek die de Duitse overheid in de jaren dertig in beslag nam bij musea. Hildebrand Gurlitt en enkele andere handelaren mochten die verkopen – Hildebrand hield talloze werken in eigen bezit, waaronder enkele prachtige tekeningen van Lissitzky, Kandinsky en George Grosz.

In de collectie onderscheiden we werken met vier verschillende achtergronden: familiestukken, entartet, roofkunst, mogelijke roofkunst.

In Bonn hangt de mogelijk door nazi’s geroofde kunst, al is van het leeuwendeel (nog) niet te zeggen of het in die categorie hoort. Slechts zes werken zijn zeker roofkunst en inmiddels gerestitueerd.

Van een aanzienlijke groep in de meer dan 1400 werken omvattende collectie is met zekerheid te zeggen dat ze Cornelius Gurlitt legaal toebehoorden. Zoals de familiestukken. De schilderijen, bijvoorbeeld, van overgrootvader Louis, de negentiende-eeuwse landschapschilder. Of de expressionistische tekeningen van Hildebrands zus Cornelia.

De meest waardevolle werken vonden de autoriteiten pas na de dood van Cornelius, in zijn tweede woning in het Oostenrijkse Salzburg. Werken van kunstenaars als Édouard Manet, Gustave Courbet, Auguste Rodin, Georges Seurat, en Claude Monet. Het „absolute hoogtepunt” uit de verzameling, zegt Berns museumdirecteur Matthias Frehner, is een late Paul Cézanne, een Montagne Sainte-Victoire. Het doek was gevonden tussen twee multiplex-planken, achter een kast. Hildebrand had het in 1949 laten restaureren door zijn nicht, Gitta, maar nooit meer opgespannen en ingelijst.

Tegelijk zitten er, als in iedere verzameling, ook misperen tussen. Zoals de Chagall, Allegorische scène met een zoenend paar. Die is inmiddels door het comité Marc Chagall afgeschreven als een vervalsing. Of de Daumiér, die bij nader inzien geen Daumiér blijkt te zijn.

In de woning in Salzburg bleek ook het manna van de onderzoeker: enkele duizenden pagina’s aan documenten, inclusief adres- en kasboeken, zakelijke en persoonlijke correspondentie (van Hildebrand Gurlitt) en meer dan 4.000 zwart-witfoto’s van kunstwerken.

Wat zit er in de collectie van Gurlitt?

Klik voor meer informatie.

Familiestukken

Interieur van de Sint Bavo in Haarlem
(circa 1696), door Isaak van Nickelen (1632-1703), olie op doek, 48,8 × 42,4 cm. Waarschijnlijk in 1950 gekocht door Hildebrand Gurlitt.
Waterloo Bridge
(1903), van Claude Monet (1840–1926), olie op doek, 65 × 101,5 cm. Kwam in de familie omdat Marie Gurlitt – Gerlach het werk cadeau kreeg van haar man Cornelius. Na hun dood in bezit van Hildebrand gekomen. Dit is overigens niet de Monet die Cornelius had meegenomen, opgevouwen in zijn tas, tijdens zijn laatste bezoek aan een ziekenhuis. Dat is een pasteltekening uit 1864, Gezicht op Saint-Adresse.

David Ertl
Mens, Jezusvoorstelling
(1915), tekening door Cornelia Gurlitt (1890–1919). Links onder staat „Weihnachten 1915 Wilna”. Wilna is het huidige Vilnius, destijds in het Duitse keizerrijk, waar Cornelia soldaten verpleegde, als vrijwilliger. Ze pleegde in 1919 zelfmoord, in Berlijn. Ze was zwanger van een getrouwde man, de kunstcriticus Paul Fechter. Haar broer, Hildebrand Gurlitt, was haar testamentair-executeur.

Roofkunst

Portret van een zittende jonge vrouw
(1850-1855), door Thomas Couture (1815–1879), olie op doek, 73,5 × 60 cm. De taakgroep belast met het herkomstonderzoek liet afgelopen woensdag, 25 oktober, weten dat het portret geroofd is uit het huis van George Mandel, een Franse politicus van Joodse komaf die in 1944 werd vermoord door Franse fascisten. Bewijsmateriaal voor de confiscatie komt uit het archief van Buitenlandse Zaken in Berlijn. Identificatie van het werk volgde door een enkele opmerking van een ‘Monuments Men’, over een miniscuul, zichtbaar gerepareerd gaatje „in het midden van de borst”.
Rijders op het strand
(1901), door Max Liebermann (1847-1935), olie op doek, 72 x 92 cm. Was van de joodse fabrikant David Friedmann, inwoner van Breslau, het huidige Wroclaw in Polen. De nazi’s vermoordden Friedmann en roofden zijn kunst. Gurlitt heeft het werk in 1945 in zijn bezit. Amerikanen confisqueren het, maar geven het in 1950 weer terug. Op 13 mei 2015 werd het overgedragen aan de nazaten van Friedmann. Die brachten het naar Sotheby’s, waar de paardenrijders op het Scheveningse strand voor 1,8 miljoen pond werd geveild; bijna 3 miljoen euro.
Leeuwentemmer
(1930), door Max Beckmann (1884-1950), gouache en pastel op papier, 90 x 60 cm. Kocht Gurlitt in 1934 van Alfred Flechtheim, een door nazi’s opgejaagde galeriehouder van joodse komaf. Cornelius Gurlitt bracht het werk bijna 75 jaar later naar de veiling. De nazaten van Flechtheim trokken aan de bel, waarna het veilinghuis in Keulen met een door beide partijen geaccepteerd voorstel voor verdeling van de opbrengst kwam. Het winnende bod was 892.000 euro.

Mogelijke roofkunst

Rusten aan straatrand
(1638), van Jan van Goyen (1596–1656), olie op hout, 20,5 × 30 cm. Op 28 April 1944 nog in bezit van Raphaël Gerard, in Parijs, daarna onduidelijk, om ten minste vanaf september 1953 in bezit te zijn van Hildebrand Gurlitt.
Quai de Clichy
(1887) van Paul Signac (1863–1935), olie op doek, 46 × 65,5 cm. Marié Malmaison verwierf het schilderij van de kunstenaar, in ruil voor een fiets. Daarna ging het een paar keer onder de hamer. Zeker is dat het werk in 1948 in bezit was van Hildebrand Gurlitt. Herkomstonderzoek naar het werk is nog niet afgerond.
La Montagne Sainte-Victoire
(1897), van Paul Cézanne (1839–1906), olie op doek, 73×91,5 cm. Volgens de directeur van het Kunstmuseum in Bern, eigenaar van de collectie, is dit het topstuk van de verzameling. De zoon van Cézanne had het tot tenminste 1940 in bezit. Hildebrand Gurlitt liet het een Franse kunsthandelaar voor hem kopen, André Schoeller, voor een recordbedrag, destijds, van 5 miljoen francs. De taakgroep ziet voorlopig geen indicatie van roofkunst, al is Schoeller in 1947 veroordeeld voor het profiteren van de ‘ontjoodsing’ van Franse galeries en kunsthandels.
Man en vrouw aan het raam
(1923), van Wilhelm Lachnit (1899–1962), gouache en grafiek op papier, 22,8 × 26,8 cm. Was in bezit van de joodse advocaat en kunstliefhebber Fritz Salo Glaser. Die overleefde de eerste jaren van de oorlog ondermeer met de onderhandse verkoop van zijn verzameling. In de verwarring van het bombardement op Dresden vluchtte hij in februari 1945 naar het platteland. Hildebrand Gurlitt had de tekening bij zich terwijl hij het einde van de oorlog afwachtte in een kasteel te Aschbach. De Amerikanen namen de tekening in 1956 in beslag, maar gaven die vijf jaar later terug.

Entartete kunst

Oude vrouw met cloche hoed (1920), door Max Beckmann (1884–1950), gravure met dorre naald, 36,5 × 24,7 cm. Gekocht door de Hamburger Kunsthalle, in 1937 geconfisqueerd door de Duitse overheid, die het op 22 mei 1940 verkoopt aan Gurlitt, opdat die het verkoopt in het buitenland.
Portret van Jean Bloé Niestlé (1921), door Heinrich Campendonk (1889–1957) gekleurde houtsnede op Japans papier, 46,5 × 40 cm. Inbeslaggenomen want ‘ontaard’, uit het Wallraf-Richartz-Museum in Keulen. Op 21 maart 1941 verworven door Hildebrand Gurlitt om te verkopen in het buitenland.
Uit de Kestner-portfolio ‘Proun 3’
(1923), door El Lissitzky (1890–1941), kleurenlithografie en collage op papier, 60,5 × 44 cm. Waarschijnlijk in beslag genomen door de Duitse overheid rond 1937, maar een paper trail is nog niet gevonden. Ook onduidelijk hoe het in bezit kwam van Hildebrand Gurlitt.
Des avonds (datum onbekend), van George Grosz (1893–1959) Met waterverf ingekleurde lithografie, 46 × 56,7 cm. In 1924 gekocht door het Wallraf Richartz-Museum in Keulen, van de joodse galeriehouder Alfred Flechtheim, die later werd geruïneerd door de nazi’s. De Duitse overheid nam de litho in 1937 in beslag als ‘ontaarde kunst’. In mei 1940 verworven door Gurlitt, om te verkopen in het buitenland.
Baders aan zee
(1921), door Erich Heckel (1883–1970), potlood, waterverf en gouache op papier, 31,6 × 45 cm. Op 24 juli 1922 gekocht van de kunstenaar door de Nationalgalerie in Berlijn. Op 16 augustus 1937 geconfisqueerd door de Duitse overheid, die het werk tot 1940 opslaan, waarna Gurlitt het verwierf op 13 december 1940.

Correctie (2-11-2017): In een eerdere versie van dit stuk werd gesproken van “het Zwitserse Salzburg”. Salzburg ligt in Oostenrijk.