Strijd om de gunst van de ‘gewone Nederlander’

Debat over de regeringsverklaring

Op dag één van het debat over de regeringsverklaring probeerde de oppositie gaten te schieten in het broze bouwwerk van Rutte III. Links sprak over de portemonnee, rechts over de Nederlandse identiteit.

De bewindslieden van Rutte III in Vak K tijdens het debat in de Tweede Kamer over de regeringsverklaring. Foto Bart Maat/ANP

Niet de fractievoorzitters speelden woensdag een hoofdrol in de Tweede Kamer, maar de politieagent, de onderwijzer, de verpleegkundige, de bakker, de timmerman en de lasser.

Als er één ding opviel aan de eerste dag van het debat over de regeringsverklaring, dan was het dit: alle partijen – links én rechts, coalitie én oppositie, populistisch én gouvernementeel – willen de komende jaren dingen naar de gunst van de ‘gewone Nederlander’.

Premier Rutte begon ermee. Zijn nieuwe ploeg, zo zei hij in zijn openingswoord, is een „heel gewoon, Nederlands kabinet” dat zich vooral gaat inzetten voor „de middengroepen, de mensen met een gewoon salaris en een gewoon koop- of huurhuis”. Ook de nieuwe VVD-fractievoorzitter, Klaas Dijkhoff, sprak veelvuldig over „gewone mensen”, die volgens hem weinig begrip hebben voor strijd op „de Haagse millimeter”.

Voor Geert Wilders is de „gewone Nederlander” heel iemand anders: de verweesde burger wiens land en nationale trots hem is afgepakt door moslims en Brusselse technocraten. „Wat is ons land vreselijk te grabbel gegooid. Wat zijn onze belangen verkwanseld. Heel veel Nederlanders zijn vreemden in hun eigen land geworden.”

Wilders’ inbreng was weinig verrassend: zijn snoeiharde tirades tegen het kabinet behoren onderhand tot de folklore van het Binnenhof. Toch wist hij – in tegenstelling tot vijf jaar geleden – de andere partijen te provoceren. Hij kondigde aan een motie van wantrouwen te zullen indienen tegen minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken, D66). Ze heeft naast de Nederlandse ook de Zweedse nationaliteit, en dus „de schijn van dubbele loyaliteit tegen zich”. Wilders: „Dit is verdorie het Nederlandse parlement! En hier moet je Nederlander zijn! En alléén Nederlander zijn. Ik wil geen Turken, Marokkanen of Zweden in dit huis. Mag ik dat niet zeggen? Dit is mijn land!”

Lees ook: het liveblog over het debat terug, met een overzicht van de inbreng van alle dertien fractievoorzitters.

Links front tegen ‘rechts kabinet’

De linkse oppositie koos een andere invalshoek: de gewone man versus de grote bedrijven. GroenLinks, SP en PvdA probeerden een beeld neer te zetten van een rechts kabinet dat cadeautjes uitdeelt aan multinationals en de gewone Nederlanders daarvoor laat betalen. Waarom verhoogt Rutte III de btw op brood en melk maar schrapt het ondertussen wel de dividendbelasting voor buitenlandse investeerders? Jesse Klaver (GroenLinks): „Dit gaat over het spekken van Wall Street.”

Met name over de dividendbelasting wist links de coalitiepartijen in de hoek te drijven. Zowel Dijkhoff als Buma konden niet aannemelijk maken dat die maatregel, die de overheid 1,4 miljard euro aan inkomsten kost, ook daadwerkelijk zal leiden tot de komst van meer buitenlandse bedrijven. „Het is een gok”, moest Klaas Dijkhoff toegeven.

De linkse oppositie trok voor het eerst sinds mensenheugenis samen op, gewapend met een alternatief voor het regeerakkoord op fiscaal-economisch gebied. Die eendracht zorgde wel voor een nogal eenzijdige focus op sociaal-economische onderwerpen – en een vrij sombere toonzetting.

Op één punt sloeg de vrijwel voltallige oppositie de handen ineen: de zorg. Onder leiding van Lodewijk Asscher (PvdA) vroeg een breed front van partijen het kabinet een streep te zetten door een mogelijke besparing van 100 miljoen euro op de wijkverpleging. Maar verder liep er een vrij ordentelijke scheidslijn door het debat: links sprak over de portemonnee, rechts over de nationale identiteit. Allebei waren ze ervan overtuigd de belangrijkste zorg van de gewone Nederlander te benoemen.

Lees ook: Dit is de nieuwe Tweede Kamer, onze interactieve productie met een overzicht van alle 150 Kamerleden.

Coalitieleiders niet in problemen

Als gevolg van die diffuse oppositie kwamen de vier coalitieleiders eigenlijk geen moment in de problemen. Sybrand Buma (CDA) vervulde zijn nieuwe rol op dezelfde hoekige, stoïcijnse manier zoals hij vanuit de oppositie opereerde, Gert-Jan Segers (ChristenUnie) kwam met zijn vijf zetels pas laat op de avond aan bod en speelde dus geen hoofdrol in het debat. Alexander Pechtold (D66) ondervond het stevigst hoe het is om van rol te verwisselen: hij werd langdurig door de linkse oppositie ondervraagd over gevoelige concessies voor zijn partij, zoals het afschaffen van het raadgevend referendum en de wel heel beperkte vooruitgang op het gebied van embryo-onderzoek.

En dan was er nog de traditie van de ‘uitgestoken hand’. Hoe groot, wilde de oppositie weten, is de bereidheid van Rutte III om plannen aan te passen in ruil voor brede steun? Best groot, suggereerde premier Rutte in zijn regeringsverklaring: „De deur van de Trêveszaal staat op een stevige kier.” Maar echte concrete toezeggingen kreeg de oppositie nog niet van de coalitiefracties – of het moet Buma’s opmerking zijn geweest dat Asscher „gewoon een punt” had met zijn pleidooi voor de wijkverpleging.