Column

Omgeving bepalend bij seksueel misbruik

De onthulling van het wangedrag van Harvey Weinstein – #MeToo – heeft veel losgemaakt. Intimidatie en aanranding van jonge vrouwen tijdens hun opleiding en aan het begin van hun loopbaan blijkt veel vaker voor te komen dan gedacht. In de reacties overheerst een opvallend biologisch determinisme. Meestal is de redenering: helaas ‘zijn’ ‘bijna alle’ mannen van nature nu eenmaal ‘zo’, dus als ze onvoldoende gesocialiseerd zijn, denken ze dat vrouwen hun ter beschikking staan en hun avances op prijs stellen. Ook de genuanceerde bijdragen van vrouwen zelf gaan uit van dezelfde biologische onvermijdelijkheid – een beetje vrouw kan toch aangeven wat ze wil, tenzij er sprake is van geweld.

In feite gaat het hier om een verbijzondering van de aloude kwestie: nature or nurture. Daar zit ook een kans tot verandering. Aan hormonen en genetica doen we op korte termijn weinig, en ook opvoeding is een langdurige kwestie. De vraag is dus: welke omgeving stimuleert sommige mannen zich uitermate respectloos en zelfs gewelddadig te gedragen?

In landen en sectoren waar competitie hoogtij viert, moeten vrouwen meer tolereren en komen mannen met grensoverschrijdend gedrag weg. Geen toeval dus dat in de Amerikaanse film- en media-industrie de situatie het belabberdst is (ik zwijg maar over uitbuiting van vrouwen in landen als India). Zo’n 95 procent van de rendabelste films in Hollywood wordt door mannen geregisseerd. Concentratie van macht leidt tot een mentaliteit van het type winner takes all. De aard van het werk versterkt dit: een filmcarrière bouw je op een aantrekkelijk uiterlijk en een plooibaar karakter.

Overal waar sprake is van grote ongelijkheid en kwetsbaarheid blijkt misbruik plaats te vinden. In de sport, waar lichamelijke aanraking onvermijdelijk is, in de jeugdzorg en religieuze instellingen. Op scholen. Ook in grote bedrijven bestaan verhalen over betaste junior medewerkers. Maar de Fortune-500-bedrijven hebben bijna zonder uitzondering strenge regels ingevoerd om vrouwen en minderheden te beschermen. Het succes daarvan hangt uiteraard af van, zoals dat heet, de toon aan de top. Omdat dergelijke bedrijven beducht zijn voor hun reputatie, is echter de kans op jarenlang tolereren van misstanden geringer. Zie het vertrek van de topman van Uber. Ongewenste avances en beledigingen zijn niet onlosmakelijk verbonden met een competitieve cultuur.

Hoe zit dat in de ambtenarij? Klotst de testosteron tegen de plinten onder de systeemplafonds en tl-buizen van ministeries en gemeentehuizen? Onverbloemd machogedrag lijkt me veelal afwezig in de publieke sector, zeker in Nederland waar de toon aan de top die van het polderende compromis is. Natuurlijk, ook een ministerie kent zijn hiërarchie en naijver, maar dominant gedrag wordt niet per se beloond. Vrouwelijke of ondergeschikte ambtenaren manipuleren is in de kantoortuin geen sinecure. Gunsten toestaan is in deze tijden van transparantie nauwelijks mogelijk. Vrouwen die bij de overheid werken, doen dat trouwens zelden in het besef dat ze het van hun uiterlijk moeten hebben: brains before beauty. Belangrijk is ook dat de publieke sector steeds meer vrouwen kent aan de top, en door de aard van de zaak minder competitieve mannen trekt. De cultuur van de sector is anders: het publieke belang betekent idealiter dat het niet om de persoon gaat maar om de functie en de taak.

De les is niet dat mannen in de publieke sector moreel hoogstaander zijn maar dat de omgeving bepalend is. Omgekeerd zou besef van het dienen van de publieke zaak voor veel jongens wel eens louterend kunnen werken. En dan komt via een omweg toch die sociale dienstplicht om het hoekje kijken.

is voorzitter van de Raad van Bestuur Wageningen U&R en schrijfster.