Column

Hoe Draghi het graf van de ECB delft

Ooit spraken we af dat het bevechten van inflatie beter uit handen van politici kan blijven, en overgelaten moet worden aan technocraten. Maar hoe ruim mag dat mandaat zijn?

Zeventien jaar: zo lang is het geleden dat de stemming onder ondernemers in de eurozone zo goed was als nu. De euro-economie, zo maakte statistisch bureau Eurostat dinsdag bekend, groeide in het derde kwartaal met 0,6 procent ten opzichte van het vorige. Minpuntje: ondanks een werkloosheid die daalde tot 8,9 procent wil het met de inflatie maar niet vlotten: die daalde van 1,5 procent naar 1,4 procent in oktober. En de kerninflatie, zonder wispelturige prijzen van voeding en energie, blijft steken op 1,1 procent.

Zo lijken we af te stevenen op een monetair beleid dat voorlopig heel ruim blijft. Want de 2 procent waar de Europese Centrale Bank (ECB) naar streeft, is er nog lang niet. De sfeer wordt venijniger. Het bestuur van de ECB vergaderde vorige week over de vraag hoe het aankoopbeleid van staatsleningen en andere leningen, dat inmiddels al 2.278 miljard euro aan de balans van de centrale bank heeft toegevoegd, moet worden afgebouwd.

Die discussie was overbodig. Twee weken eerder lekte uit naar persbureau Bloomberg dat het dagelijks bestuur van de ECB, onder leiding van president Mario Draghi, dacht over het halveren van de maandelijkse aankopen van 60 miljard euro naar 30 miljard. Dat gebeurt over een periode van negen maanden, te beginnen in januari volgend jaar.

Die verwachting nestelde zich vervolgens, voorspelbaar, op de financiële markten, waardoor elk ander besluit voor een schok zou zorgen. Daarmee schiep Draghi voor de zoveelste keer een voldongen feit voordat de vergadering begonnen was.

60 miljard in november en december, 30 miljard in de eerste negen maanden van 2018: er wordt dus nog eens voor 390 miljard gekocht, en het einde is niet in zicht. Tot grote ergernis van de noordelijke eurolanden, een minderheid in het bestuur die zich voor de zoveelste maal op een zijspoor zag gezet. Het bericht dat het besluit een ‘compromis’ was, werd daar met een wrange, vermoeide glimlach beantwoord.

Los van de discussie over het beleid, waar een heel bos over op te zetten valt, speelt er nog iets. Door te blijven kopen gaat de ECB langzamerhand over op wat ze in Japan al ‘yield curve management’ noemen. De centrale bank sleutelt dan niet langer alleen aan de rente op de geldmarkt, maar ook aan de rente voor de lange termijn.

Frankfurt kan dan feitelijk vaststellen hoeveel rente overheden betalen, en beïnvloedt zo hun begroting en bestedingsruimte. Frankfurt bepaalt de hoogte van de hypotheekrente voor huizenbezitters. Bedrijfsleningen worden opgekocht en, als Japan een voorbeeld is, straks ook aandelenfondsen. De centrale bank beheerst dan indirect het lot van individuele bedrijven.

We hebben in het verleden afgesproken dat het bevechten van inflatie beter uit handen van politici kan blijven, en overgelaten moet worden aan technocraten. Daarom zijn centrale banken onafhankelijk. Maar als het mandaat van een centrale bank zo ruim wordt dat de bank een veel groter deel van de samenleving gaat beheersen dan oorspronkelijk was afgesproken? Moet dat dan nog steeds worden overgelaten aan onafhankelijke technocraten?

Door het huidige opkoopbeleid te zwaar, te langdurig en te wijdlopig te maken, speelt ECB-topman Draghi met vuur. De ECB maakt toch al een gepolitiseerde indruk, door de tirannie van de meerderheid in het bestuur. Het zuiden vindt dat best. Maar het wachten is op de eerste politicus van betekenis, in welk euroland dan ook, die straks de onafhankelijkheid van de centrale bank ter discussie stelt.

Maarten Schinkel schrijft over macro-economie en beurzen.