De tonijnen zijn terug in het Skagerrak

Zeebiologie

Zestig jaar was er geen blauvintonijn meer te vinden in de wateren van Noordwest-Europa. Nu zien Deense en Zweedse vissers ze weer uit het water springen. Maar voor verhoging van de quota is het nog te vroeg.

De eerste blauwfintonijn die dit jaar in Deense wateren werd gevangen en voorzien van een datalogger. Foto Fairpoint

Wie in september op zee was tussen Denemarken en Zweden, kon zomaar getuige zijn van een wel heel bijzonder schouwspel. Sportvissers haalden midden op het Skagerrak enorme vissen naar boven. Atlantische blauwvintonijn, zeer gewaardeerd als sushi, maar genoteerd als ‘bedreigd’ op de Rode Lijst. En al bijna 60 jaar verdwenen uit Noordwest-Europa.

„Ze zijn er weer!”, zegt Brian MacKenzie, hoogleraar visserij-oceanografie aan de Technische Universiteit Denemarken. Op initiatief van zijn universiteit, de Zweedse Landbouwuniversiteit en het Wereld Natuur Fonds (WNF) vingen sportvissers in totaal achttien blauwvintonijnen van tussen de 130 en 300 kg. Biologen namen DNA-monsters en voorzagen de dieren van dataloggers die een jaar lang gegevens gaan verzamelen. Daarna lieten ze de tonijnen weer los.

„In de vorige eeuw was er een bloeiende tonijnvisserij in de Noordzee, tot ver in het Skagerrak en Kattegat”, vertelt MacKenzie. „Er zijn oude foto’s van veilinghuizen vol met tonijnen van twee, drie meter lang. De tonijnvisserij piekte in de jaren vijftig, maar stortte tien jaar later volledig in. Vooral door overbevissing, hier en in Zuid-Europa.”

Oproep

Nu speelt alle Europese tonijnvisserij zich af in de Middellandse Zee en langs de Atlantische kust tussen Frankrijk en Marokko. Tot 2006 werd daar jaarlijks rond de 32 duizend ton tonijn opgevist, met lange vislijnen en drijfnetten. Maar ook dat ging niet goed. Er zwom steeds minder en steeds kleinere tonijn. Natuurorganisaties, waaronder het WNF, trokken succesvol aan de bel. De tonijnvissende landen, verenigd in de International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (ICCAT), startten een herstelplan: ze beperkten de vangst tot bepaalde gebieden en perioden. En de quota gingen flink omlaag, tot 13 duizend ton in 2013.

„Tegenwoordig gaat het weer veel beter met de Oost-Atlantische blauwvintonijn”, stelt MacKenzie. „We hoorden steeds meer verhalen van Deense en Zweedse vissers die enorme tonijnen helemaal uit het water zagen springen!” Ook Noordzeevissers zien nu en dan weer tonijn, aldus Visserijnieuws.nl. En in 2013 en 2017 spoelden er twee forse, dode exemplaren aan in Zeeland.

Het WNF wilde méér weten van deze noordelijke tonijnen en zocht contact met MacKenzie en zijn Zweedse collega’s. Samen wilden ze de vissen gaan volgen met geavanceerde dataloggers. Maar tonijn laat zich niet gemakkelijk vangen. „Daarom hebben we een oproep online gezet”, vertelt MacKenzie. „Welke big game-visser wil er vrijwillig zijn tijd, zijn ervaring en zijn boot aan ons beschikbaar stellen? De reacties stroomden binnen. Ja, er zijn echt Scandinaviërs die regelmatig even met hun eigen boot gaan tonijnvissen in de Middellandse Zee. En die het leuk vinden om dat ook eens dichter bij huis te doen, voor het goede doel.”

Drie minuten

Zo’n tweehonderd Deense en Zweedse sportvissers meldden zich aan, met vijftig boten. In september gingen zij acht lange dagen de zee op – er waren er 17 gepland, maar het stormde vaak te hard. Het WNF ging mee aan boord. En MacKenzie ook. „Ja absoluut, elke dag! Die kans laat ik me natuurlijk niet ontgaan!” Hij vertelt vol vuur over de technieken en materialen van de sportvissers, die soms een flinke strijd moesten leveren om een gevangen tonijn binnen te halen. Zodra het dier binnen handbereik was – half in zee, half op een platform net boven het wateroppervlak – maten de biologen het razendsnel op, namen een DNA-monster en bevestigden een plastic tag met een datalogger aan een vin. En dan kon de vis weer terug in zee.

De DNA-monsters moeten vertellen waar die tonijnen zijn geboren. MacKenzie: „Waarschijnlijk in de Middellandse Zee, maar misschien wel in de Golf van Mexico. Er zijn twee paaipopulaties. We weten dat die over en weer de Atlantische Oceaan oversteken.” Tonijnen zijn warmbloedige, krachtige zwemmers die wel 80 km per uur halen. Ze kunnen jaarlijks duizenden kilometers afleggen. „De tags registreren om de tien minuten de lichtsterkte, diepte en watertemperatuur”, legt MacKenzie uit. „De combinatie van die gegevens vertelt je voor ieder tijdstip waar de tonijn zich precies bevindt – en dus hoe hij migreert.”

De tag valt na een jaar af en drijft dan naar de oppervlakte, waar hij zijn data via een satelliet naar de computers van de wetenschappers zendt. Zij hoeven de tag dus niet terug te vinden. „De herkomst van de tonijn is van belang”, zegt hij, „omdat het met de West-Atlantische tonijn veel slechter gaat dan met de Oost-Atlantische. Stel dat deze uit de Golf van Mexico komen, dan zou je ze hier extra goed willen beschermen.”

Verantwoord

De afgelopen jaren heeft ICCAT de quota geleidelijk verhoogd. Het quotum voor 2017 was 23 duizend ton. Eind november beslissen de leden over een voorgestelde verhoging tot 36 duizend ton in 2020. Het WNF vindt dat zo’n forse verhoging niet te verantwoorden is. „Er is geen overeenstemming over de precieze aantallen blauwvintonijn”, zegt Ingvild Harkes, oceanenexpert van het WNF, „dus we kunnen ook nog niet zeggen hoezeer de soort is hersteld. Wij pleiten daarom voor het voorzorgprincipe.”

MacKenzie is het daarmee eens. „Het herstel is heel pril”, zegt hij. „Als we de quota te snel weer verhogen, kunnen we de tonijn heel snel weer kwijtraken, net als in de vorige eeuw.”

Han Lindeboom, hoogleraar mariene ecologie aan Wageningen UR, is positief over het herstel van de Atlantische tonijn. „Fantastisch dat ze zijn teruggekeerd tot in het Kattegat, en ook in onze Noordzee”, zegt hij. „Dat had ik een paar jaar geleden niet gedacht.” Het is inderdaad lastig vast te stellen of de populatie is hersteld, merkt hij op, ook omdat we niet weten hoeveel tonijn er ooit rondzwom. „Maar je kunt stellen dat een populatie gezond is als de aantallen toenemen onder een stijgende vangstdruk – en als je weer oude en grote dieren vangt. En dat is nu allebei het geval.”

Lindeboom en MacKenzie vinden dat je best uit een gezonde populatie kunt oogsten – mits dat strikt gereguleerd en gecontroleerd gebeurt. Bij dat laatste heeft het WNF zijn twijfels: dat benadrukt dat er nog altijd veel illegale visserij is. En dat de quota altijd hoger zijn dan wat biologen aanbevelen. Lindeboom heeft meer vertrouwen: „De landen hebben zelf ook belang bij een verantwoorde visserij”, zegt hij. „Maar ik zou wel voorzichtig zijn met het verhogen van de quota. Want verhogen is heel makkelijk, maar weer verlágen als de aantallen toch weer afnemen, is een stuk moeilijker. Quota zijn toch vaak het resultaat van onderhandeling, en minder van wetenschap.”

In de komende jaren wil het WNF meer tonijnen gaan taggen. Harkes: „Dit onderzoek kan helpen om de tonijn nu wél goed te beheren. Als dat lukt, en de stand weer op peil is, kunnen we in de toekomst wellicht duurzaam gevangen Noordzeetonijn eten.”

Dat laatste ziet MacKenzie wel zitten. En hij heeft nu al zin om volgend jaar weer aan boord te gaan. Dan zou hij ook graag een grootschalig survey doen van de Noord-Europese wateren, met sonar en vliegtuigjes, zoals in de Middellandse Zee gebeurt. „Maar daar hebben we het geld niet voor.” Grinnikend: „Misschien moeten we daar ook rijke vrijwilligers voor inschakelen.”