‘Eens gestolen, altijd gestolen’

Restitutie Hoe gaan de diverse Europese landen om met claims op ‘besmette kunst’?

Portret van een zittende vrouw (1850-1855) door Thomas Couture. Het portret werd geroofd uit het huis van George Mandel, een Franse politicus van Joodse komaf die in 1944 werd omgebracht door fascisten.

Tweeënzeventig jaar en twee maanden nadat met de Japanse capitulatie een einde was gekomen aan de Tweede Wereldoorlog, is de strijd over teruggave van in en rond de oorlog geroofde kunst heviger dan ooit. Alle recente Europese oorlogsclaims opsommen, het is onbegonnen werk. Tal van kleinkinderen en achterkleinkinderen doen pogingen om het in de oorlog verdwenen kunstbezit van hun (over)grootouders op te eisen. Wat ze daarbij soms helpt, is dat in een paar landen recentelijk wetgeving is ingevoerd die voorkomt dat oorlogsclaims verjaren.

Om misverstanden te voorkomen: het gaat niet alleen om nazi-roofkunst. Ook over de immense hoeveelheid schilderijen, prenten en boeken die door het Rode Leger is meegenomen uit het verslagen nazi-Duitsland wordt stilletjes strijd geleverd. Vooral langs diplomatieke weg. Want de Russen hebben bij wet immers geregeld dat de uit Duitsland geroofde kunst aan hen toebehoort – compensatie voor de kunst die de nazi’s uit Rusland hebben geroofd. Door vertrouwen te winnen bij Oekraïense en Russische bestuurders, hopen Duitse musea tot afspraken te komen over hun voormalige bezittingen.

Recht en onrecht

In Cambridge werd in maart een symposium over roofkunst uit het nazi-tijdperk georganiseerd. Een van de sprekers was juriste Evelien Campfens, oud-secretaris van de Nederlandse Restitutiecommissie en bezig met haar dissertatie Recht en onrecht in roofkunstkwesties. Ze pleitte voor de oprichting van een Europese restitutiecommissie – een instituut dat op transparante wijze helpt naar het zoeken van rechtvaardige oplossingen bij roofkunstclaims.

Het zoeken naar ‘fair and just solutions’ is het uitgangspunt bij oorlogsclaims sinds 44 landen, waaronder Nederland, in 1998 de Washington Principles on Nazi-Confiscated Art ondertekenden. Omdat eigendomsclaims over oorlogskunst toen al in veel landen waren verjaard, bevalen de verklaringen aan te kiezen voor een vorm van alternatieve geschillenbeslechting, buiten de reguliere rechtsgang om.

In vijf Europese landen – Oostenrijk, Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland en Duitsland – leidde dat rond de eeuwwisseling tot de oprichting van restitutiecommissies. Die hebben de afgelopen vijftien jaar vele adviezen gegeven. In Nederland kregen de erven van kunsthandelaar Jacques Goudstikker twaalf jaar geleden bijvoorbeeld 202 kostbare kunstwerken uit de rijkscollectie gerestitueerd.

Maar inmiddels is gebleken, betoogde Campfens in Cambridge, dat de Washington Principles per land anders worden uitgelegd. Ook het mandaat van de vijf restitutiecommissies verschilt, en is veelal beperkt tot werken in overheidsbezit. Wat onder „billijke en rechtvaardige oplossingen” moet worden verstaan, is door die situatie onduidelijk geworden. Bijvoorbeeld als het gaat om de belangen van nieuwe bezitters van ‘besmette’ kunstwerken.

Uitwijken naar de VS

Wat de situatie verder vertroebelt, is de opkomst van gespecialiseerde claimjagers. Op provisiebasis gaan zij op zoek naar roofkunstzaken, om ze vervolgens binnenskamers, onder geheimhouding, te schikken. Nieuwe eigenaren zullen vaak wel moeten, zegt Campfens, want aan een ‘besmet’ werk wil niemand zijn vingers branden, zelfs als het onzeker is of het werkelijk om geroofd bezit gaat.

Omdat eisers in veel Europese landen nergens terecht kunnen met hun claims, wijken ze in toenemende mate uit naar de Verenigde Staten. Anders dan in veel Europese landen, waar de wetgever meer oog heeft voor de bezitter die te goeder trouw iets heeft aangekocht, geldt in het Amerikaanse rechtssysteem ‘eens gestolen, altijd gestolen’. In haar lezing somde Campfens een reeks voorbeelden op van werken in bezit van Europese musea waarover een rechtszaak wordt gevoerd in Amerika.

Het meest recente voorbeeld betreft drie nazaten van de Nederlandse kunstverzamelaar Emanuel Lewenstein. Zij klaagden in maart in New York de Bayerische Landesbank aan. Deze Duitse bank bezit een vroeg werk van Wassily Kandinsky, Das bunte Leben (1907), dat uitgeleend is aan het Lenbachhaus, een museum in München.

De familie Lewenstein stelt dat het schilderij in 1940, toen de eigenaren uit Nederland waren gevlucht voor de nazi’s, zonder hun toestemming uit het depot van het Stedelijk Museum Amsterdam is gehaald om te worden geveild. Het contrast tussen de opbrengst van de Kandinsky toen (250 gulden) en de geschatte waarde nu (80 miljoen dollar) verduidelijkt misschien waarom zo lang na de oorlog nog zoveel strijd over roofkunst wordt geleverd.

Campfens hoopt haar dissertatie eind volgend jaar af te ronden. Of ze komt met een pasklare oplossing voor alle problemen rond roofkunst uit de Tweede Wereldoorlog? „Ik ben bang van niet”, zegt ze met een lach. Het probleem is te complex en er zijn te veel variabelen. Maar een Europese restitutiecommissie met een ruim mandaat zou volgens Campfens een stap in de goede richting zijn. Ook omdat de problematiek zich niet meer beperkt tot nazi-roofkunst en zich uitbreidt tot andere categorieën, zoals koloniale roofkunst.

Veel experts zijn het eens over de noodzaak van internationale standaards voor nazi-roofkunst, zegt Campfens. Ze wijst erop dat in 2004 bij de Europese Commissie al is aangedrongen op een Europese centrale organisatie voor roofkunst. „Soms krijg ik het gevoel dat men hoopt dat het vanzelf overwaait en het vinden van oplossingen aan de markt kan worden overgelaten.”

De markt is de oplossing niet, zegt Campfens. „Dan zal de uitkomst van claims afhankelijk worden van de onderhandelingspositie van partijen en commerciële belangen van intermediairs. Misschien dat dat sneller is dan neutraal onderzoek, maar de vraag is of het dan nog gaat om ‘billijk en rechtvaardig’.”