De ondergang van de familie Gurlitt

profiel Hildebrand Gurlitt was een museumdirecteur en kunsthandelaar die handelde met de nazi’s. Zijn zoon Cornelius een kluizenaar die eenzaam leefde tussen duizenden kunstwerken. Portret van de ondergang van een gerespecteerde, kunstzinnige familie.

Hildebrand Gurlitt 1895 - 1956 Foto EPA/Fritz Alter sen./Kunstsammlungen Zwickau

Cornelius Gurlitt sprak tegen zijn schilderijen. Het waren zijn vrienden, metgezellen die hij niet onder mensen kon vinden. „Hij was een eenkennige man die het contact met de werkelijkheid had verloren.”

Die conclusie trok de enige journalist die hem ooit heeft geïnterviewd. Dat was enkele maanden voor Cornelius’ dood in mei 2014. Zij, Özlem Gezer van weekblad Der Spiegel, hoorde dat Cornelius zijn favoriete tekeningen iedere avond voor zich neerlegde op de grond. Om rustig te genieten. „Er is niets waar ik in mijn leven meer van heb gehouden dan van mijn schilderijen.”

Had hij dan nooit een relatie gehad met een mens? Gurlitt, giechelend: „Oh, nee.”

Het is onduidelijk of de breekbare, tachtigjarige Gurlitt bewust had ingestemd met het interview, maar hij had toegestaan dat de vriendelijke jongedame met hem mee reisde. Ze vertrokken naar een dokter in een kleine stad in het zuiden van Duitsland. Met de trein.

Het was ook in een trein dat het noodlot had toegeslagen, zoals Gurlitt het zelf noemde. Dat was drie jaar eerder. Gurlitt was onderweg van Zürich naar huis, in een nette buitenwijk van München. Bij de grens vroegen douanebeambten hem om zijn papieren. Hij reageerde opvallend nerveus. Daarop fouilleerden ze hem op de wc. Hij bleek 9.000 euro op zak te hebben. Dat mag. Wel vond de douane het verdacht. De Duitse FIOD ging een kijkje nemen bij hem thuis en trof daar meer dan duizend kunstwerken aan. Vooral veel tekeningen en grafiek. Omdat Cornelius de zoon is van een museumdirecteur die in de oorlog kunst verhandelde voor de nazi’s – en zelfs inkocht voor het nog te bouwen museum van Hitler in diens geboortestad Linz – bestond de sterke verdenking dat al die kunst door nazi’s was geroofd, geconfisqueerd of onder druk gekocht, meestal van joodse families.

Beambten hadden in februari 2012 twee dagen nodig om alle kunstwerken uit het appartement te halen. Gurlitt zat erbij, voelde zich vreselijk en begreep het niet.

Toen de pers bijna twee jaar later in november 2013 lucht kreeg van de inbeslagname, kopte het Duitse weekblad Focus met de primeur: „Nazischat”. Foto van Hitler erbij en de toon was gezet. De wereld volgde, met honderden artikelen en maar liefst drie biografieën van Cornelius’ vader Hildebrand Gurlitt. Het probleem van veel van die publicaties is dat de auteurs proberen waar te maken wat ze in de titel beloven, dat er een ‘nazi-schat’ is en dat vader Hildebrand een schurk is, een man zonder geweten die joodse burgers van hun kunst beroofde. Vooral het boek van de Amerikaanse Susan Ronald probeert de schurkachtigheid amechtig waar te maken. Terwijl het niet zo eenvoudig is. Hildebrand Gurlitt, vader van Cornelius en in wereldwijsheid diens tegenbeeld, was een moreel ambigue figuur. Ook blijkt de nazischat toch niet vol roofkunst te zitten (de teller gerestitueerde werken staat op vijf). De filmmaker Maurice-Philip Remy stelt in een deze week verschenen boek dat de inbeslagname van de werken zelfs „illegaal” was en dat de autoriteiten Cornelius de dood in hebben gedreven. Dat laatste is moeilijk na te gaan. Over het eerste: het is waar dat als roofkunst zich in privé-bezit bevindt, de overheid geen rechtsmiddel heeft om de eigenaar te dwingen het af te staan.

Joods

Maar de grote vraag blijft: hoe schuldig was Cornelius’ vader, de museumdirecteur annex kunsthandelaar Hildebrand Gurlitt? Hoe zit het met die morele ambiguïteit?

Wel, die begon al vroeg. De vader van Hildebrand, architectuurdeskundige Cornelius Gurlitt (1850-1938), opende voor hem de deuren naar de posities waarin hij zijn eerste levensplan kon uitvoeren: de culturele, hoogopgeleide elite epateren met moderne kunst, eerst als museumdirecteur in Zwickau, daarna in Hamburg. Tegelijk wilde hij met die kunst bijdragen aan de verheffing van het volk. Zijn probleem: niet alleen de conservatieve elite, ook een belangrijk deel van het volk, aan de macht gekomen in soldatenlaarzen, pruimde zijn kunst niet. Hij verloor beide banen.

Reden van zijn tweede ontslag had ook met zijn familie te maken. Hildebrand hield niet alleen van ontaarde kunst, hij was ook een ‘mischling’, een kwart jood. Vanwege zijn joodse grootmoeder, Elisabeth Lewald (1823-1809), zus van de populaire feministische schrijfster Fanny Lewald (1811-1889).

In een land waar minder dan 1 procent van de bevolking joods was en het antisemitisme de kern vormde van de dominante politieke ideologie, betekende een kwart genoeg om in grote problemen te geraken. Gurlitts broer Wilibald (1889-1963), een succesvol muziekwetenschapper, verloor zijn aanstelling aan de universiteit en kreeg een publicatieverbod opgelegd. Zijn kinderen mochten niet meer naar school. Wilibald zou waarschijnlijk als dwangarbeider aan het werk zijn gezet, als broer Hildebrand tijdens de oorlog geen warme banden met de nazitop had ontwikkeld, onder andere met architect Albert Speer, een vroegere leerling van zijn vader.

Hildebrands vader, een kenner van barokke architectuur en auteur van 97 boeken over uiteenlopende culturele en maatschappelijke onderwerpen, schrok zich wezenloos van de rassenwetten die van hem een halve jood maakten. Hij zakte weg in verbittering nadat hij, een conservatieve nationalistische oorlogsveteraan die zijn kinderen ooit had geadviseerd op Hitler te stemmen, werd uitgesloten van alle gremia waarin hij voorheen gezaghebbend was.

Direct na de oorlog onderstreepte Hildebrand de slachtofferrol van zijn familie tegenover de Amerikanen. In een brief aan Rose Vallant, vrouw onder de Monuments Men, het Amerikaanse legeronderdeel dat kunstschatten redde, noemde hij zichzelf niet minder dan „een geharnaste vijand van het nazi-regime”. Toch blijkt uit niets dat Hildebrand was gedwongen zich op de handel in geroofde kunst te storten. Hij meldde zichzelf, in 1938, om inbeslaggenomen entartete, ‘ontaarde’, kunst voor harde deviezen in het buitenland te verkopen. Niet veel later zou hij ook handelen in geroofde kunst. Koortsachtig, zelfs.

Waar en wanneer kocht Gurlitt zijn kunst in?

Als kwart-jood, zo vertelde Hildebrand zijn Amerikaanse ondervragers, kon hij niet anders.

Om zijn goedertierenheid kracht bij te zetten, liet hij aanbevelingen schrijven, door tientallen museumdirecteuren en een enkele kunstenaar van onverdachte, niet-nazihuize. Hildebrand was gewiekst en charmant genoeg om ze daartoe te bewegen. Een van hen was Max Beckmann, de expressionistische kunstenaar. Hildebrand had hem in 1944 opgezocht in Amsterdam en toen werk van hem gekocht, voor een prikkie, zeker, maar toch: Beckmann had een ‘berufsverbot’, leefde in armoede en was Gurlitt dankbaar.

Tegelijk had Hildebrand Gurlitt, die na de oorlog een grote Beckmanntentoonstelling zou organiseren, ergens in opslag een prachtige Beckmann waarvan hij wist hoe die in zijn bezit was gekomen: via nazi’s die het hadden afgetroggeld van Alfred Flechtheim, een door het regime geruïneerde joodse kunsthandelaar.

Zijn zoon Cornelius had het werk in zijn huis in Salzburg. Hij liet het veilen in 2011. Het veilinghuis regelde dat de erfgenamen van Flechtheim zo’n 40 procent van opbrengst kregen. Cornelius kreeg iets minder dan 400.000 euro.

Nare man

Meike Hoffmann, een van Hildebrands biografen en de eerste wetenschapper die namens de Duitse overheid de Gurlitt-collectie mocht onderzoeken, schrijft over Gurlitt dat hij „onderweg” zijn „morele kompas” moet zijn kwijtgeraakt.

Wie daar een sterk staaltje van gaf, kort na de oorlog, was zijn handlanger tot 1942, Ingeborg Hertmann. Zij trad in zekere zin op als zijn secretaresse. Kort voor hun vlucht had de joodse familie Litzmann kunst bij Hildebrand Gurlitt in bewaring gegeven. Eenmaal op de vlucht of in onderduik, stuurden ze een bericht: „Stuur ons alstublieft geld dat de kunst heeft opgebracht. We hebben honger.” Hertmann herinnerde zich dat Gurlitt haar „kalm en terloops” instrueerde: „Stuur de joden een briefje van tien Rijksmark”, via die-en-die.

Een nare man. Of meer dan dat. Maar het ultieme kwaad? In jaren waarin miljoenen ongewapende burgers werden afgeslacht, was Gurlitts grootste misdaad dat hij willens en wetens kunstwerken in bezit hield waarvan hij wist dat ze waren geroofd en zelfs van wie ze waren geroofd.

Interessanter dan hem te beschrijven als het ultieme kwaad, is het om Hildebrand Gurlitt te zien als een scharnierpunt in de ondergang van een gerespecteerde, kunstzinnige familie. Een familie die begon bij Johan August (1774-1855) en zijn vrouw Helene. Hij schopte het tot succesvol levensmiddelenfabrikant en samen voedden ze zonen op tot geroemd italianiserend landschapschilder (Louis; 1812-1897), een gevierde componist (Cornelius; 1820-1901) en een populaire schrijver van Nederduitse boeken (Emanuel; 1826-1896).

Een kleinzoon, weer een Cornelius, vestigde zich in Dresden, waar hij zich ontpopte tot dé kenner van Duitse barok en voorzitter van de Duitse bond voor architecten. Dat was de vader van Hildebrand.

Cornelia Gurlitt

Cornelia Gurlitt 1890-1919

Wie dankzij de vondst van de werken in het appartement van Gurlitt weer terug in de belangstelling is gekomen, is de dochter van deze Cornelius: Cornelia. Als zoon Hildebrand de rottende appel is geweest aan een ooit fiere boom van kunstenaars en cultuurkenners, dan was zijn zus Cornelia de goudrenet, het beste wat de familie Gurlitt de wereld heeft geschonken.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog verzorgde Cornelia soldaten in Vilnius, de hoofdstad van Litouwen, destijds bezet door Duitse troepen. Ondertussen maakte ze tekeningen die getuigen van haar fascinatie voor, of inzicht in menselijke wanhoop en armoede. Ze hebben wel iets van de tekeningen van Käthe Kollwitz, al is de uitdrukkingsgave van deze Gurlitt te uniek om zo’n vergelijking te maken. Matthias Frehner, de Zwitserse museumdirecteur die de collectie-Gurlitt onder zijn hoede heeft gekregen: „Indrukwekkend is de traumatische directheid waarmee zij haar ervaringen in de veldhospitalen van Vilnius reproduceert, als zeer eigen herformuleringen van vergelijkbare impressies als te vinden bij Max Beckmann, Otto Dix en George Grosz.”

Een bij leven beroemde pleitbezorger van het expressionisme, Paul Fechter, noemde Cornelia na haar dood: „misschien wel het meest geniale talent van de expressionistische jongeren”. Wat hij er niet bij vertelde, was dat ze zwanger van hem was geraakt. Fechter was getrouwd. In de winter van 1919 pleegde Cornelia zelfmoord. Ze was 29 jaar oud.

Uit de talloze brieven die Cornelia en haar broers Wilibald en Hildebrand elkaar schreven, blijkt dat het verval van de familie nog niet was ingezet voor haar dood, al klaagde Hildebrand veel over zijn eigen lethargie en desinteresse. Hun persoonlijke en hun maatschappelijke, politieke en culturele overpeinzingen getuigen van een enorme verfijning en fijngevoeligheid. De pompeuze inleidingen, de opgeblazen speeches en de kwijlerige brieven die Hildebrand na de oorlog zal schrijven illustreren daarentegen de neergang.

De nazaat

Cornelius Gurlitt 1932 - 2014

Foto Babiradpicture - abp

Weer een generatie verder vinden we een hulpbehoevende man die zijn studie kunstgeschiedenis niet afmaakte, net zomin als zijn opleiding tot restaurateur. Ook zijn ambities als beeldend kunstenaar maakte Cornelius Gurlitt niet waar. Hij trok zich terug, met de kunstwerken die zijn ouders hem hadden nagelaten. Een reguliere baan heeft hij nooit gehad; zo nu en dan verkocht hij een werk uit de collectie. Zijn dagtaak, zo zag hij het zelf, was het om de rest van de werken te beschermen, tegen de buitenwacht. Het ging om vaders levenswerk. Cornelius was een fulltime nazaat, en eentje die zelf geen nazaten produceerde.

Hij had tekortgeschoten, vertelde hij aan de journaliste in de trein. Zijn vader had de kunst decennialang uit handen gehouden van nazi’s, Russen en Amerikanen, en nu was het weg. Hij voelde zich nietig in vergelijking met zijn geweldige vader. „Ik ben niet zo dapper als mijn vader. Die hield van kunst en vocht ervoor.”

In de tas die Cornelius had meegenomen naar het ziekenhuis in de laatste dagen van zijn leven, werd een slordig opgevouwen landschap van Monet gevonden.

Correctie (15 november 2017): De journalist van Der Spiegel heet Özlem Gezer, niet Özlan, zoals hier eerder stond.