De eikelovervloed verklaard

Mastjaar

Een langdurig onderzoek onder Spaanse eiken heeft helderheid gebracht in het raadsel van de overvloedige eikeljaren, ook wel mastjaren genoemd.

Eikels van de steeneik (Quercus ilex ssp. rotundifolia). Foto Daniel Espejo Fraga / Flickr by CC

Soms zijn er jarenlang weinig eikels en beukennootjes – en dan ineens ligt het hele bos ermee vol. Zo'n topjaar heet een mastjaar. De afgelopen vijf jaar was de Nederlandse mast middelmatig, zo meldt De Natuurkalender, met zo’n vier miljoen kilo eikels en beukennootjes op de Veluwe. In piekjaar 2000 viel er tien miljoen kilo; in daljaar 2003 minder dan één.

Hoe kan dat? Dat het weer een rol speelt, is bekend. Maar nog altijd was onduidelijk hóe het weer die mast beïnvloedt. Spaanse biologen zochten het uit bij de steeneik, een Mediterrane eikensoort. In de Proceedings of the Royal Society B beschrijven ze deze week het complexe samenspel tussen temperatuur en neerslag, bevruchting en zaadgroei.

Altijd evenveel bloemen

De bomen produceren ieder jaar ongeveer evenveel bloemen en evenveel stuifmeel, ongeacht het weer, zo ontdekten de Spanjaarden. De clou zit hem in de variërende kans dat die bloemen worden bevrucht, en in de omstandigheden waaronder daarna het zaad groeit. Een warm en droog voorjaar is het gunstigst. In een warm voorjaar is het stuifmeelseizoen kort en hevig. Dat is gunstig voor de voortplanting. Want álle bomen hebben dan hun vruchtbare periode tegelijk. Dat geeft elke bloem een maximale kans om bevrucht te worden. Als het veel regent tijdens dat stuifmeelseizoen, neemt de kans op bevruchting af: omdat veel stuifmeel uit de lucht regent en omdat de bomen hun bloeiseizoen verlengen en dus minder strak gesynchroniseerd zijn.

Complicatie: het jaar ervoor

Maar er is een complicatie: het zaadsucces van het jaar ervóór speelt ook een rol. Een boom investeert veel energie en voedingsstoffen in het maken van zaden. Na een mastjaar is hij ‘uitgeput’ en kan hij niet meteen weer pieken. Tenzij weer het huidige seizoen nat genoeg is ná de stuifmeelperiode, zo lieten de steeneiken zien. Die regen is goed voor de zaadvorming, want die maakt het voor de boom makkelijker om zonlicht om te zetten in energie, mineralen uit de bodem te halen en reserves uit wortels en takken vrij te maken.

Lees ook: Bosonderzoekers breken zich het het hoofd over: Waar komen al die eikels vandaan?

Er zijn dus verschillende factoren die de voortplanting – de eikelproductie – kunnen stimuleren: warmte en droogte in het stuifmeelseizoen, en juist wel genoeg regen ná het stuifmeelseizoen, én weinig zaad in het jaar ervoor. De Spanjaarden maakten een ingewikkeld schema van de interactie. Droogte in het naseizoen heeft daarin een sterker ‘veto-effect’ dan lage temperatuur en hoge neerslag in voorseizoen.

Mediterraan klimaat

Het schema geldt vooral in de droge Mediterrane eikenbossen, merken de Spanjaarden op. Het ligt anders in streken met een regelmatiger neerslagpatroon, zoals in Nederland, en op plekken waar de eiken verder uit elkaar staan, zoals in de valleien van Californië. Daar is de bestuiving de beperkende factor – en dus temperatuur en neerslag vroeger in het seizoen.

Daarom zullen de eiken wereldwijd verschillend reageren op klimaatverandering, zo voorspellen de onderzoekers. In Californië worden de voorjaars naar verwachting warmer en droger: gunstig voor de zaadproductie. Maar omdat ze niet élk jaar kunnen pieken, zullen de bomen overgaan op een gematigde, constante zaadproductie, zonder echte mastjaren. In Spanje daarentegen zal de toenemende droogte in het naseizoen de zaadproductie vaker blokkeren, waardoor er diepere dalen en daarna weer hogere pieken kunnen optreden.

In Nederland: warmer én natter

En in Nederland? Bij ons worden de voorjaars waarschijnlijk warmer én natter. De warmte stimuleert, de regen remt. Maar hoe onze inlandse en Amerikaanse eiken daarop zullen reageren, daarover speculeren de Spanjaarden niet.