Recensie

Wat is dat nou precies, de ware?

Romantische komedie

Regisseur Claire Denis weet met ‘Un beau soleil intérieur’ een lichtvoetige ernst tentoon te spreiden die indrukwekkend is.

Juliette Binoche als Isabelle die haar vers verworven vrijgezellenleven viert.

Un beau soleil intérieur is een tamelijk geniale film. Hij lijkt steeds iets te zijn wat hij uiteindelijk niet is. Romantische komedie. Satire op het Franse slaapkamerdrama. Zoektocht naar de verwarring van vrouwelijke seksualiteit. Een ode aan de blos op de wangen van hoofdrolspeelster Juliette Binoche. En natuurlijk is de nieuwe film van Claire Denis (Beau travail, White Material, 35 Shots of Rum) dat allemaal. Tegelijkertijd. We weten uit haar veelzijdige oeuvre al lang dat ze niet genrevast is. Maar zoveel lichtvoetige ernst als in Un beau soleil intérieur spreidt ze niet vaak tentoon.

De film is de perfecte spiegel van z’n hoofdpersonage, de pas gescheiden Isabelle. Kunstenares. Net de vijftig voorbij. Ze viert haar vers verworven vrijgezellenleven met een serie erotische ontmoetingen met allerlei soorten mannen. De narcist, de vreemdeling, de ex. De ware zit er vooralsnog niet tussen. Maar misschien is haar seksuele odyssee wel meer een zoektocht naar wat dat nou precies is, de ware, en of zo iemand überhaupt bestaat. En naar wie ze zelf is. Want zij is ook bij al die mannen een ander: nu eens dociel en afwachtend, dan weer doortastend. Maar meestal wil zij de zon zijn waar haar minnaars omheen cirkelen, en is ze tegen wil en dank de maan die om de ego’s van die kerels draait.

Net zoals Roland Barthes’ essayistische collage Fragments d’un discours amoureux uit 1977, waar Denis haar film losjes op baseerde, is Un beau soleil intérieur een uit elkaar gevallen en toen weer bij elkaar geveegde encyclopedie van de liefde. Een woordenboek van verlangen. Dat er over de liefde niets eenduidigs te zeggen valt, dat snappen de meeste mensen wel. Maar dat je een film kunt maken waarin in één personage al die paradoxale kanten van de liefde gewoon naast elkaar kunnen bestaan, is behoorlijk indrukwekkend. En extreem grappig, met z’n watervlugge, kwikzilverige dialogen, die bijna worden uitgesproken alsof het muzikale partijen zijn. Zoals gewoonlijk gaat het er niet om wat ze zeggen – want wat kunnen geliefden vandaag de dag nog voor origineels tegen elkaar zeggen? – maar hoe. Het is taal die nauwelijks kan verhullen hoe gecompliceerd de liefde is, hoe vaak intimiteit en seksualiteit gracieus uit de pas lopen, en hoe idioot de liefde, de verliefdheid op de liefde je je kan doen gedragen.

Natuurlijk is het ook Juliette Binoche die dat allemaal stralendmooi kan spelen: aantrekken en afstoten, hunkeren en verachten, en al dat eindeloze wachten dat steeds maar bij de liefde lijkt te horen. Belt hij? Of belt hij niet? De moderne variant van madelievenblaadjes tellen. Als je wacht, weet je dat je verliefd bent, schreef Barthes. De ander wacht niet.