Cultuur

Interview

Interview

Foto Peter de Krom

Die allergie voor koemelk of kippenei is waarschijnlijk onzin

André Knulst (56), hoogleraar dermato-allergologie in het UMC Utrecht, is gespecialiseerd in voedselallergie. Een kwart van de volwassenen meent daaraan te lijden, meestal ten onrechte. „Het is lastig mensen iets uit hun hoofd te praten.”

André Knulst heeft patiënten die na het nuttigen van een klein beetje koemelk of kippenei – of pinda, noot, vis, schaaldier, schelpdier, soja – plotseling warm en rood worden en overal jeuk krijgen. Ze moeten overgeven, hun oogleden en lippen zwellen op, en hun tong en hun keel, ze kunnen nauwelijks ademhalen, ze lopen blauw aan, hun bloeddruk en hun hartslag dalen. Als ze niet heel snel een shot adrenaline krijgen, raken ze bewusteloos en kunnen ze binnen een paar minuten dood zijn.

Die extreme reactie, anafylaxie, is zeldzaam. Wereldwijd komt die per jaar bij vier tot vijf per honderdduizend mensen voor, en dan kan het ook nog komen door een bijensteek of medicijnen. Maar het aantal mensen met een allergische ziekte – van mild tot zeer ernstig – stijgt wel. Het zijn er drie tot vier keer zoveel als veertig jaar geleden.

Knulst, gespecialiseerd in voedselallergie, ziet daarentegen ook patiënten die soms bijna niets meer durven eten of drinken omdat ze báng zijn voor zo’n extreme reactie, of omdat ze dénken dat hun buikpijn / misselijkheid / hoofdpijn door koemelk of kippenei komt, door brood of rode wijn of mosselen of wat dan ook. En hún aantal neemt ook toe. Inmiddels meent een kwart van de volwassenen en 17 procent van de kinderen een voedselallergie te hebben. In werkelijkheid, zegt Knulst, heeft 2 tot 4 procent van de volwassenen die echt. Bij kinderen is dat bij 4 tot 6 procent.

En dan hebben we het nog niet eens over glutenallergie, want dat is geen allergie, maar een intolerantie die bij ongeveer 1 procent van de mensen voorkomt. Het eiwit gluten, in tarwe, rogge en andere granen, wordt niet goed verteerd en veroorzaakt ontstekingen in de darmwand – coeliakie. Patiënten met coeliakie, of vermeende coeliakie – dat zijn er ook steeds meer – komen niet bij de allergoloog, maar bij de maag-darmspecialist.

Waarom denken zoveel mensen dat ze een voedselallergie hebben?

„Omdat mensen graag oorzakelijke verbanden leggen en een verklaring zoeken voor hun klachten. Dan ligt voedsel voor de hand, want eten doe je een aantal keren per dag. Je denkt al snel: misschien is dat het wel. En dan kun je ook iets dóén, namelijk bepaalde dingen niet meer eten. Maar meestal is er geen oorzakelijke relatie vast te stellen tussen het eten van bepaalde voedingsmiddelen en het ontstaan van die klachten.”

Mensen zoeken graag verklaringen voor hun klachten, dan ligt voedsel voor de hand

Voor welke voedingsmiddelen vermijden mensen voedsel het vaakst?

„Koemelk en kippenei. Als volwassen patiënten dat tegen me zeggen, weet ik al dat het waarschijnlijk nergens op berust. Dat soort allergieën komt bij volwassenen bijna nooit voor. En als ze dan zeggen dat ze de ene keer wel last hebben en de andere keer niet, of pas na een paar uur, weet ik het zeker: geen voedselallergie. Ook niet als er antistoffen in het bloed gevonden worden, want in grofweg de helft van de gevallen vind je die ook bij mensen zonder voedselallergie.”

U bent mensen vaak iets uit hun hoofd aan het praten.

„En dat kan heel lastig zijn als ze al jaren denken dat ze allerlei dingen niet kunnen eten. Het is een deel van hun identiteit geworden. Maar ik vind: als zoveel mensen dénken dat ze een voedselallergie hebben terwijl het niet zo is, moeten ze dat ook wéten. Dus dan leg ik uit: een voedselallergie is altijd acuut en doet zich altijd voor als je in aanraking met het allergeen komt, de stof die de allergische reactie veroorzaakt. En die kan dus heel ernstig zijn.”

In uw oratie vertelde u over een patiënte die allergisch was voor koemelk en kippenei en opeens ook ziek werd van een broodje zalm.

„Ze vroeg aan me of ze nu ook allergisch was geworden voor vis. Dat bleek niet zo te zijn, maar bij TNO wisten ze me te vertellen dat in de visverwerkende industrie koemelkeiwit wordt gebruikt om kleine stukken zalm aan elkaar te lijmen. En dat werd niet op de etiketten gezet. Het verhaal gaat nog verder, want diezelfde vrouw werd een paar jaar later ziek van pure hagelslag. Wat nou weer? We stuurden een monster naar TNO en daar troffen ze er koemelkeiwit in aan, afkomstig uit de productiemachines. Er was eerst melkchocoladehagelslag in gemaakt. Stond ook niet op het etiket.”

Die etiketten, zegt Knulst, moeten beter en preciezer. Hij doet er al jaren zijn best voor. „Ik heb meegemaakt dat in een product dat volgens het etiket sporen van pinda of noot kon bevatten bijna een hele noot zat. Bijna een héle noot! Dat kan dodelijk zijn.”

Waardoor komt veel allergie meer voor dan veertig jaar geleden? Betere diagnostiek?

„Ook, maar niet alleen. Als je alle allergische ziekten bij elkaar neemt, dus ook astma en hooikoorts en eczeem, kom je in de westerse wereld op 15 tot 20 procent van de bevolking. Veertig jaar geleden was het een factor vier lager. En eigenlijk weten we niet wat daar de oorzaak van is. Er zijn aanwijzingen dat het te maken heeft met de verminderde blootstelling aan bacteriën en virussen door schoon drinkwater en riolering. We hebben vanaf jonge leeftijd minder infectieziekten, het immuunsysteem hoeft dus minder hard te werken om die aanvallen af te slaan, en het lijkt erop dat het daardoor de andere kant uit beweegt, in de richting van allergieën.”

Zou het dan beter zijn om het immuunsysteem op jonge leeftijd meer op de proef te stellen?

„Als het om bepaalde allergenen gaat wel, ja. In het Westen is het de gewoonte om met pinda en noot en kippenei en koemelk te wachten tot kinderen een of twee jaar oud zijn, of soms wel vier jaar. Maar we weten nu: dat heeft het omgekeerde effect, in elk geval bij pinda. Er was een kinderarts in Engeland die constateerde dat de Joden daar veel vaker pinda-allergie hebben dan in Israël, en dat met dezelfde genetische achtergrond. Hij ontdekte dat kinderen in Israël al vanaf hun vierde maand pindakoekjes krijgen om op te sabbelen. We weten nu ook dat pinda veertien eiwitten bevat die allergeen zijn, waarvan twee belangrijk. Met een nieuwe bloedtest kunnen we bij 50 procent van de kinderen en bijna 30 procent van de volwassenen voorspellen of ze een pinda-allergie hebben of niet. Voorheen konden we dat maar bij 7 procent.”

En dan? Wat kunt u doen?

„Een therapie die voedselallergie geneest hebben we nog niet, dus wat we kunnen doen is een dieet voorschrijven. Daarnaast onderzoeken we wat het effect is van immunotherapie, bijvoorbeeld via de mond. Patiënten nemen dagelijks een oplopende hoeveelheid allergeen in, tot ze er niet meer allergisch op reageren, of in elk geval veel minder. Maar deze methode kan ernstige bijwerkingen hebben en daarom zie ik veel meer in een nieuwe vorm van immunotherapie waarbij het allergeen wordt toegediend via een pleister op de huid. We hebben daar net een grote studie naar gedaan, in vijf landen, waaronder Nederland, en de eerste resultaten zijn bij kinderen hoopgevend: na een jaar was er bij de helft een duidelijke verbetering en na drie jaar bij 80 procent. Zonder ernstige bijwerkingen.”

En bij volwassenen?

„Helaas geen effect. De volgende vraag is: waarom niet? Was de dosis te laag? Is het immuunsysteem bij kinderen nog gemakkelijker te beïnvloeden?”

Een voedselallergie kan ook pas beginnen als je volwassen bent, hoe werkt dat?

„Eén route die we nu goed kennen is die via een pollenallergie, met name berkenpollen. Die patiënten komen meestal bij me met de klacht dat hun mond gaat branden als ze een appel eten, of een perzik of peer, en dan vraag ik: heb je ook hooikoorts? Tussen februari en april? Dan heb ik het plaatje al bijna rond. In berkenpollen zit een eiwit dat ook in allerlei vruchten zit, het beschermt ze tegen infecties. Het immuunsysteem keert zich het eerst tegen de berkenpollen en vervolgens ook tegen die vruchten. Blijft de vraag: waardoor begint dat opeens? Dat weten we dus niet.”