Borderline

Huisarts Anne Hermans schrijft over haar praktijk op het platteland van Nieuw-Zeeland

Ik sluit mijn ogen en haal diep adem voor ik hem ophaal uit de wachtkamer. Matt is depressief, wietverslaafd, chronisch suïcidaal en heeft een borderline persoonlijkheidsstoornis. In de afgelopen maanden heeft hij met elke betrokken instantie ruzie gehad: de Nieuw-Zeelandse sociale dienst (‘Why don’t they just give me the bloody money?’), zijn psycholoog (‘The questions she asks me!’), de sociaal werker (‘Totally useless’) en het acute mental health-team (‘I’d rather hang myself than speak to them again’).

Daarnaast belt hij meerdere malen per week naar de praktijk met het verzoek mij onmiddellijk te spreken. Als hem verteld wordt dat ik in een consult zit, of vrij ben en later terugbel, antwoordt hij standaard dat hij dan waarschijnlijk al dood is.

Gisteren hebben we ‘de casus-Matt’ in ons team besproken. Er moeten grenzen gesteld worden aan zijn gedrag, duidelijke afspraken, vastgelegd in een contract. Dat is wat mensen met borderline nodig hebben.

Gelukkig is Matt in een goede bui vandaag. Hij vertelt opgewekt over zijn hond die zwanger is. We praten over wat er misgaat als hij gefrustreerd raakt: „Ik verlies de controle en verander in een boos persoon, die ik niet wil zijn”, zegt hij peinzend. „Dan hoor ik mezelf schreeuwen en word daar intens verdrietig van. Achteraf voel ik me zo vreselijk, dat ik alleen nog maar dood wil.”

We bespreken de noodzaak voor een actieplan voor zijn chronische suïcidaliteit. Het acute mental health-team is zijn eerste aanspreekpunt: ze zijn 24 uur per dag bereikbaar. Overdag kan hij ook onze praktijk bellen en dan wordt er een verpleegkundige gezocht om hem te woord te staan. En als ik beschikbaar ben, kan ik hem ook terugbellen. Maar dit is geen garantie en kan pas een paar uur later, of zelfs de volgende dag zijn.

Hij knikt begrijpend. Ik ontspan en zak iets achterover. We zetten het actieplan op papier en ondertekenen beiden. Ik schrijf hem zijn pijnmedicatie voor. En hij belooft zelfs zijn psycholoog te bellen om de therapie weer voort te zetten.

De volgende dag ben ik vrij. Ik wandel met de hond als ik de ziekenhuishelikopter zie landen, verdacht dicht bij onze praktijk. Terwijl ik nieuwsgierig langs het parkeerterrein loop , zie ik plots een bekend gezicht op de brancard die wordt ingeladen.

„Matt”, zucht mijn collega Julia ten overvloede. „Hij belde een uur geleden, had ruzie gehad met zijn ex, wilde jou spreken. Toen we zeiden dat je vrij was, hing hij op. We hebben hem geprobeerd terug te bellen maar kregen de voicemail. Een uur later strompelde hij de praktijk in en zakte in elkaar voor de receptie. 120 tabletten codeïne, 10 tramadol en 10 citalopram ingenomen. Bloeddruk 80 over 30, pols 140. Infuus gegeven en in de chopper.” Ze ziet mijn vertwijfeling en knijpt in mijn schouder. „Hij redt het wel, hoor.”