‘Rode Kruis kwam niet op voor meest bedreigden: Joden’

Regina Grüter Onderzoeker

Tijdens de oorlog boog het Rode Kruis in Nederland mee met de Duitsers. Zolang het maar gewonden en gevangenen kon helpen.

Medewerkers van het Rode Kruis maken pakketten klaar voor Nederlandse krijgsgevangenen die in 1942 en 1943 naar Duitse kampen waren gevoerd. Foto’s Archief Nederlandse Rode Kruis

Een geweigerde handdruk. Dat was de aanleiding voor Kwesties van leven en dood van Regina Grüter van het NIOD in Amsterdam, een onderzoek naar het Rode Kruis in de Tweede Wereldoorlog. Twaalf jaar geleden weigerde journalist Frits Barend de hand te schudden van de toen net aangetreden directeur Cees Breederveld met de woorden: „Directeur van het Rode Kruis! Dat zijn toch allemaal antisemieten.”

„De directeur schrok van die heftige reactie”, vertelt Grüter. „Hij wist niet dat er mensen waren die een ongelofelijke hekel hadden aan het Rode Kruis, en het zelfs haatten. Het was een schok. Temeer daar hij al meer dan tien jaar in het bestuur van het Rode Kruis zat. Er werd niet over gesproken.” De geweigerde handdruk leidde tot een interne discussie, die uitmondde in een opdracht voor de studie. Niet toevallig ging die naar Grüter. Zij had zelf tien jaar gewerkt bij de afdeling Oorlogsnazorg van het Rode Kruis. „Ik heb regelmatig verteld dat er een heleboel mensen een hekel hebben aan het Rode Kruis. De directie wist daar wel van, maar deed er niet veel mee. Je kunt vragen of ik een onafhankelijk onderzoeker ben. Dat ben ik. Het NIOD heeft een wetenschappelijke begeleidingscommissie.”

Het boek toont hoe bestuurders van het Rode Kruis zich vanaf het begin in bochten wrongen om de Duitsers ter wille te zijn, mits de organisatie mocht blijven doen waarvoor zij ooit in het leven was geroepen: het helpen van gewonde soldaten en krijgsgevangen. Burgers, met name Joodse burgers, hadden het nakijken. „Een harde conclusie die we moeten trekken”, schrijft Grüter, „is dat het bestuur heeft gefaald bij de uitvoering van zijn humanitaire missie ten opzichte van groepen die zijn hulp het hardste nodig hadden. Het NRK [Nederlandse Rode Kruis] is niet opgekomen voor de meest bedreigde bevolkingsgroep in bezet Nederland, de Joden.”

In het boek staan gênante voorbeelden hoe het Rode Kruis Duitse eisen soepel inwilligde. Mocht het Rode Kruis in 1940 alleen vluchtelingen terughalen die verklaarden geen Jood te zijn? Het Rode Kruis hield zich er braaf aan, en wees beschuldigingen van een Nederlandse burgemeester dat er misschien toch een paar doorheen waren geglipt, verontwaardigd van de hand. Wilden de Duitsers in 1940 een Zeereddingsdienst onder de vlag van het Nederlandse Rode Kruis? Men ging akkoord. Grüter: „Heel apart. Want het was de Duitsers er natuurlijk om te doen hun eigen mannetjes uit zee te vissen. Ze zijn ermee begonnen toen Hitler nog een scheepsinvasie naar Engeland van plan was. Ze hadden al achthonderd rijnaken geconfisqueerd voor die operatie. Zou het Rode Kruis daar niks van hebben gemerkt?” Bij het besluit om geld en goederen van het Rode Kruis beschikbaar te stellen voor het oostfront, in 1941, sputterden de bestuurders aanvankelijk nog tegen. Maar toen de Duitse top druk zette, zwichtte men. „Terwijl dit niet te verenigen was met de eigen uitgangspunten.”

Hoe kwalificeert u deze houding?

„Dit ‘schikkingsbeleid’ verschilt niet veel met wat de gemiddelde Nederlander deed. De secretarissen-generaal van de ministeries hebben ook veel invloed uitgeoefend op het Rode Kruis om mee te buigen met de Duitsers. En kijk, het Rode Kruis had de taak voor krijgsgevangen te zorgen. Dat mocht van de Duitsers, ook al deden die er wel moeilijk over. Maar als je de Duitsers te veel tegen de haren zou instrijken, liep je als bestuurder kans te worden afgezet. Dat wilden ze niet.”

Was het angst? Of strategie?

„Ik denk allebei. Dat zie je ook bij burgemeesters en secretarissen-generaal, bij ambtenaren, eigenlijk bij de Nederlandse bevolking.”

Al in het begin van de bezetting bogen veel Nederlanders mee. Hadden ze dat ook gedaan als ze hadden geweten welke verschrikkingen de Joden meemaakten?

„Het is een glijdende schaal. Een valkuil. Voor ieder mens en elke organisatie. Je doet het, omdat je nu eenmaal zo bent. Gezagsgetrouw. Mensen waren daarvan doordrenkt. Het hoorde bij de cultuur, de opvoeding, de beschaving. Het bestuur bestond veelal uit conservatieve adel. En ze waren ambtelijk. Het Rode Kruis was eigenlijk een semi-ambtelijk orgaan. Toen ambtenaren in 1940 de Ariërverklaring moesten tekenen, vroegen ze zich af of zij dat ook moesten doen. Dat vind ik tekenend. Ze hebben het laten uitzoeken door een jurist. Die rapporteerde dat ze niet werden beschouwd als ambtenaren.

„Hoe je reageert in zulke situaties, heeft ook met je eigen persoon te maken. Wat zou ik hebben gedaan? Ik weet het niet. Ik zat als dertienjarige op de fiets toen ik een vrouw in elkaar zag zakken. Ik ben toen hard doorgefietst! Ik heb niks gedaan! Ik heb wel achterom gekeken en zag, gelukkig, dat er een paar mensen naar haar toe kwamen. Het is een reflex. Het heeft me later wel aan het denken gezet. Ik vond het eng. Ik heb niet geholpen.”

Wat heeft u tijdens het onderzoek getroffen? Wat was voor u nieuw?

„Heel nieuw was voor mij wat jonkheer Flugi van Aspermont voor bewonderenswaardigs heeft gedaan. Hij was de man die door het Nederlandse Rode Kruis, dat hier totaal geïsoleerd was, naar Zwitserland was gestuurd, als verbindingsman tussen het Londense Comité van het Rode Kruis en het Internationale Rode Kruis. Hij heeft meer dan honderd rapporten geschreven. Kwam met allerlei mogelijkheden om voedselpakketten te sturen naar Joden of politieke gevangenen. Maar hij kreeg geen geld van Londen, onder meer door de valutabeperkingen van de geallieerden. Het is te gruwelijk voor woorden. Het schrijnende is dat Flugi zo veel meer had kunnen bereiken als ze in Londen beter hun best hadden gedaan. Londen had andere prioriteiten. Het zenden van pakketten naar politieke gevangenen en Joden behoorde niet tot de taken. Wél naar krijgsgevangenen. Ze hebben zich heel formalistisch opgesteld. Vergelijk dat eens met de Noren. De afvaardiging van het Noorse Rode Kruis in Londen en de Noorse regering hebben voor elkaar gekregen dat ze van de geallieerden toch toestemming kregen om in te voeren, en pakketten te kunnen zenden.”

Hoe veel Nederlandse levens hadden er gered kunnen worden?

„Het is lastig om cijfers te geven. Na de oorlog werd wel gezegd dat de lakse houding van het Nederlandse Rode Kruis duizenden levens heeft gekost. Loe de Jong ging eerder uit van honderden dan van duizenden. Ik heb daar mijn vinger niet achter kunnen krijgen. Wel is duidelijk dat Noorse gevangenen het veel beter hebben gehad.”

Is het schrijnendste niet dat voedselpakketten Joodse gevangenen toch nooit geholpen zouden hebben?

„Precies. Ik citeer Flugi van Aspermont. Hij schrijft ergens dat hij heeft gehoord dat Auschwitz en andere kampen vernietigingskampen zijn. Weet je wat, bedenkt hij, laten we dan Bergen-Belsen en Theresienstadt proberen, dan hebben we een kans dat we mensen kunnen redden. Het was voor hem een kwestie van leven of dood. Vandaar de titel van het boek.”

U citeert overlevenden die zeggen: het was mooi geweest als we hadden geweten dat aan ons werd gedacht.

„Precies. Dat was het psychologische effect. Vooral politieke gevangenen zeggen: de Fransen, de Belgen en vooral de Noren krijgen pakketten, en wij krijgen niets. Dat is verschrikkelijk geweest. Voor zover Nederlanders pakketten kregen, was dat van familie. Dan had je geluk. Maar als je familie niks te makken had, in bezetting en schaarste, dan kreeg je niks.”

Er is nog iets wat u trof: het vele goede werk van de lokale afdelingen.

„Die hebben ongelofelijk veel gedaan. Als het gaat om hulp bij bombardementen … daar heb ik met kippenvel kennis van genomen. In het maandblad van het Rode Kruis stond een brief van een helper die vraagt wat je moet doen als iemand bekneld is geraakt en het gebouw staat in brand of staat op instorten. De voet afhakken? Stel je voor dat het huis dan toch niet afbrandt. Voor dat soort problemen werden vrijwilligers gesteld. Magazijnbedienden of onderwijzers, mensen die wel een training hadden gevolgd maar die dus ineens een been moesten afzagen. Er is ook een dagboek van een vrijwilliger over het vreselijke bombardement op Arnhem en Nijmegen, op 22 februari 1944. Ik heb daarbij even moeten slikken. Hij schrijft dat ze een kinderhoofdje hebben gevonden. Een man in de buurt herkent dat hoofdje als van zijn kleinkind. Hij schrijft: ja, wij staan hier met dat hoofdje.” Ze krijgt tranen in haar ogen. „Ik word er weer naar van!”

Veel lokale afdelingen zijn wel doorgegaan toen dat niet meer mocht.

„Ze zijn doorgegaan als commissie of zoiets. Ze brachten zichzelf onder bij andere organisaties en gingen gewoon door. Zonder Rode Kruis-tekenen. Vaak met steun van de plaatselijke bevolking.”

Dat is een ander geluid dan dat Nederland weinig compassie heeft getoond met nazislachtoffers.

„Dit is een ander geluid. Mijn man weet veel van de oorlog. Hij heeft er veel over gelezen. Hij zei: dit boek zegt veel over de bezettingstijd, over wat het volk heeft meegemaakt. Bestuurders waren hier en daar wel van goede wil, maar hebben niets gedaan voor Joden. Maar wat ik ook tegenkwam, niet in officiële verslagen trouwens, was dat veel mensen van het Rode Kruis toch veel hebben geholpen. Ook Joden. Als privépersoon. Niet onder de vlag van het Rode Kruis.”