Column

De muziek in de horeca

Zouden er weleens mensen naar het café of restaurant gaan voor de muziek die daar valt te horen? Ik heb er nooit iets van gemerkt. Toch wordt er in vrijwel elke zaak een container lawaai over je uitgestort waar je alleen geen last van hebt als je zo doof als een morsdode kwartel bent geworden.

De meeste mensen gaan naar het café om onder het genot van een drankje een aardig gesprek te voeren. Als ze ervoor in de stemming waren, konden ze vroeger ook nog een muntje gooien in een automaat, de zogeheten jukebox (voor jongere lezers), waarna ze een lievelingsnummer mochten kiezen. De keuze was wel beperkt, dat moet ik erbij zeggen: eerder Elvis of The Beatles dan de Vier letzte Lieder van Strauss.

Ik ken geen bar waar nu nog naar jouw voorkeur wordt gevraagd. Jij hebt niks te vragen: zíj, en niemand anders, draaien. Dat kan van alles zijn, behalve uiteraard die liederen van Strauss en verwante muziek. Het maakt ook niet veel verschil wat ze ten gehore brengen: het loeit, het dreunt en het galmt, daar gaat het om. Wie erbovenuit wil komen, zal hard moeten praten, en liefst steeds harder.

Er zijn nog maar weinig zaken waar geen opdringerige muziek klinkt. Je merkt het als je met iemand een afspraak probeert te maken. „Waar zitten we rustig?” „Bij mij in de buurt zou ik het zo gauw niet weten.”

Je kunt het personeel vragen de muziek weg te draaien of in ieder geval wat zachter te zetten. Het verzoek wordt soms in welwillende overweging genomen. Helemaal uitzetten is wel érg veel gevraagd, maar een toontje lager, ach, dat willen ze wel even doen, ze zijn niet de beroerdste.

Mijn ervaring is dat er geen bezoeker over klaagt als de muziek een poosje geheel of gedeeltelijk stilvalt. Het horecapersoneel heeft er meer moeite mee. Je hebt nog niet afgerekend of de muziek schalt alweer door de ruimte. Die muziek, denk ik weleens, is er niet zozeer voor ons, de bezoekers, maar voor hen, het personeel. Zonder muziek wordt hun werk misschien geestdodend, net als voor bouwvakkers en stratenmakers.

Nu mag ik niet suggereren dat er vroeger – vóór ‘mijn tijd’ – helemaal geen muziek in zaken klonk. Je had strijkjes, bandjes en pianisten. Ze waren alleen niet zo alomtegenwoordig, is mijn indruk. Toch konden ook zij overlast veroorzaken. Het blijkt uit een hilarisch verhaal dat ik las in het onlangs verschenen De complete verhalen van de Brit Saki, pseudoniem van H.H. Munro (1870-1916), die uitmuntte in sardonische korte verhalen.

In het verhaal ‘De krans’ merkt de ijdele chef van een chic hotel dat de gasten geen aandacht meer hebben voor zijn geniale gerechten zodra „het hoog gehonoreerde orkest” het muziekstuk ‘De krans’ begint te spelen. Er komt een ‘verschroeiende woede’ in de chef boven als hij zijn klanten lusteloos ziet happen en kauwen, terwijl de orkestleider buigt voor het stormachtige applaus en ook nog een toegift aankondigt. De chef stort zich na enkele waarschuwingen („Je speelt dat niet meer!”) op de orkestleider en dompelt diens hoofd onder „in de bijna kokende inhoud van de terrine” tot hij sterft.

Misschien kan ik met dit stukje voorkomen dat het ook bij ons zó uit de hand loopt. Ik heb in ieder geval gewaarschuwd, net als de chef van dat hotel.