Commentaar

Zware strafzaken laten „verbleken en verflauwen” is ongewenst

Dat een strafrechter een lagere straf oplegt dan het Openbaar Ministerie eist, is op zichzelf geen reden voor ophef. Rechters zijn onafhankelijk en oordelen op basis van de merites van de zaak en de omstandigheden van de verdachte. En altijd naar de mate waarin ze het feit bewezen en de dader strafbaar achten. Maar de uitkomst van een recent onderzoek naar het strafmaatverschil in gecompliceerde zaken over georganiseerde misdaad, kan daarmee niet weggewuifd worden. In ruwweg driekwart van de zaken zijn de verschillen tussen de eis en het vonnis aanmerkelijk, bij beide instanties. In eerste instantie gaat er in hoger beroep gemiddeld netto twee jaar celstraf van de eis af. Bij lichtere zaken is daarentegen vrijwel sprake van consensus in strafmaat tussen rechter en officier.

De verklaring voor het verschil is deels eenvoudig. Zaken over georganiseerde criminaliteit zijn ingewikkelder en dus moeilijker te bewijzen, wat eerder zorgt voor gedeeltelijke vrijspraken. Dat zorgt tegelijk ook voor een langere doorlooptijd, wat op zich al leidt tot strafmatiging. In de rechtspraak geldt immers een dwingende norm voor een redelijke procestermijn van twee jaar. Recht op een eerlijk proces houdt namelijk ook recht op een tijdig afgerond proces in. Daarnaast speelt het menselijk fenomeen een rol dat binnen het apparaat wordt beschreven als het „verflauwen en verbleken” van strafzaken. Namelijk van de verontwaardiging, de schrik en dus de ernst van een misdrijf. Het verjaren lijkt al begonnen tijdens de behandeling van de zaak, die gemiddeld 25 maanden (!) duurt. Dat is wel begrijpelijk, maar niet wenselijk. Er leven al langer klachten bij het gezag over de effectiviteit van de strafrechtspraak. Kort samengevat als „het duurt te lang en het levert te weinig op”, bijvoorbeeld in het zuiden waar de drugshandel een structureel probleem is.

Dit rapport geeft de interne verklaring voor dit wegzakken – en dat is toch schrikken. Vooral in hoger beroep heeft het OM veel te weinig tijd om het echt goed te doen. Betrokkenheid en kennis bij de advocaten-generaal zijn minder. Hoger beroep is aldus volgens ingewijden een „feestje voor advocaten” die vrij schieten op het lagere vonnis, waarna het afwachten is wat het Hof „er heel van laat”.

De onderzoekers noemen dit een „somber beeld” van de vervolging van georganiseerde criminaliteit. Dat is geen woord te veel. Een strafzaak is geen wedstrijd, kopte NRC maandag terecht. Maar van competitie is wel degelijk sprake – tegen de zware criminaliteit. En daarin dient de staat dus niet structureel in het nadeel te zijn. Aan een overbelast OM is geen behoefte.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.