Rechter legt vaak lagere straf op dan door OM geëist wordt

Onderzoek strafmaat

Vooral in strafzaken tegen de georganiseerde misdaad vallen straffen vaak lager uit, blijkt uit onderzoek van de Erasmus School of Law.

De rechter legt in driekwart van de strafzaken tegen georganiseerde misdaad een lagere gevangenisstraf op dan het Openbaar Ministerie (OM) eist. In eerste aanleg wordt bij een gemiddelde eis van vier jaar en vier maanden een gevangenisstraf van drie jaar en één maand opgelegd. In hoger beroep is het verschil nog iets groter: bij een gemiddelde strafeis van vier jaar en tien maanden luidt het vonnis drie jaar en vier maanden. Dit blijkt uit onderzoek van Erasmus School of Law in opdracht van onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap dat deze maandag wordt gepubliceerd.

Bij de politie klinkt al langer kritiek op rechters, omdat ze lager straffen dan geëist in strafzaken tegen georganiseerde misdaad waarin jaren recherchewerk is gestoken. Dat beeld wordt nu onderbouwd met cijfers. Voor het onderzoek zijn de strafzaken (periode 1997-2015) van 471 verdachten geanalyseerd van wie ongeveer de helft in verband wordt gebracht met drugshandel. De onderzoekers interviewden daarnaast twaalf officieren van justitie, tien rechters en twee politierechercheurs.

Sinds midden jaren negentig krijgt de georganiseerde misdaad (witwassen, drugshandel, corruptie, mensenhandel, afpersing) bijzondere aandacht van politie en justitie, maar de strafrechtelijke afwikkeling daarvan was nog nooit onderzocht. De bevindingen uit het rapport staan haaks op wetenschappelijk onderzoek naar strafoplegging bij kleinere, minder ernstige misdrijven. Bij die categorie van criminaliteit is het verschil tussen de eis en vonnis vaak klein. De rechter legt bij zulke zaken meestal een gevangenisstraf op die qua hoogte ongeveer gelijk is aan de eis van de officier van justitie.

Lees ook het achtergrondverhaal: ‘Een strafzaak is geen wedstrijd’

Strafwaardigheid

De verschillen tussen strafeis en vonnis worden, volgens het onderzoek, niet veroorzaakt doordat het OM en de rechter van mening verschillen over de ernst of strafwaardigheid van het misdrijf, maar doordat de rechter niet alle ten laste gelegde feiten bewezen acht. Als een officier van justitie in een drugszaak een verdachte tien feiten ten laste legt, maar de rechter acht er maar vijf bewezen, „dan leidt dat vaak tot een lagere straf”, zegt Karin van Wingerde, onderzoeker van Erasmus School of Law. Het OM laat in een schriftelijke reactie weten: „Een strafzaak is geen wedstrijd, maar een zorgvuldig proces met een rechtvaardige uitspraak als doel.”

Een andere verklaring voor de discrepantie tussen de strafeis en de opgelegde straf schuilt, volgens de onderzoekers, in de lange doorlooptijd van de georganiseerde misdaadzaken. Deze strafzaken nemen vaak jaren in beslag en in die periode kan veel veranderen, bijvoorbeeld in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daar houdt de rechter in zijn vonnis rekening mee. Van Wingerde: „Trouwen, kinderen krijgen, of een baan vinden, dat kunnen allemaal redenen zijn om iemand die al in vrijheid zijn veroordeling mag afwachten niet terug de gevangenis in te sturen.”

Oud strafrechter Martien Diemer noemt de lange doorlooptijd bij strafzaken, met name in hoger beroep, „een zorgelijk punt”. Er zit, volgens Diemer, al jaren vertraging in de behandeling van strafzaken in hoger beroep: „Dat is een misstand.” Volgens voormalig strafrechter Huub Willems is het de taak van de overheid om een goed functionerend rechtssysteem in stand te houden. De bezuinigingen hebben dat systeem de afgelopen jaren extra onder druk gezet. Willems: „Je kunt niet voor een dubbeltje op de eerste rij zitten.”