Recensie

Matthias Goerne zingt met een stem van stretchfluweel

Liedzanger

Intelligentie, concentratie en klank maken bariton Matthias Goerne tot de grootste liedzanger van zijn generatie. Zijn stem van stretchfluweel kan alles. En toch ontbeerde zijn Schumann-recital echte vervoering.

Matthias Goerne Foto Caroline de Bon

In één jaar vele prijzen, waaronder Zanger van het Jaar (Echo Klassik)– dat gebeurt weinig zangers. Het verklaart indirect ook waarom bariton Matthias Goerne het klaarspeelt in één week tweemaal het Muziekgebouw aan ’t IJ (vrijwel) uit te verkopen met relatief minder populair liedrepertoire, éénmaal Brahms (woensdag) en eenmaal de late Schumann (vrijdag).

Het Schumann-programma dat Goerne met pianist Markus Hinterhäuser bracht, was identiek aan de cd Einsamkeit die eerder dit jaar uitkwam. Nu is ‘eenzaamheid’ een noemer waaronder je vrijwel het hele romantische liedrepertoire kunt vatten, en een dramatische ontwikkeling miste je soms node. Maar de 19 liederen deden in hun collectief herfstige, sombere teneur - hoe indringend, origineel en fascinerend ook – samen ook erg monochroom aan, wat ontroering in de weg stond.

Goernes stem is van stretchfluweel, daar ligt het niet aan. Sterker: luisterend naar dat instrument bekruipt je meermaals de gedachte: wat geweldig dat zo’n stem landt bij zo’n intelligent zanger, waardoor beide elementen elkaar versterken ten gunste van de vertelkracht van de liederen.

Maar zoals in een herfstbos de felrode blaadjes de meeste aandacht trekken, zo ook boden hier de liederen die uit het nachtelijk-sombere geheel uitstaken, de mooiste momenten. Zoals de twee vroegere liederen (1840), waaronder het onopgesmukt lyrische Du bist wie eine Blume en Nachtlied (1850) – een hoogtepunt van losgezongen eenvoud.

Pianist Markus Hinterhäuser (in het dagelijks leven intendant van de Salzburger Festspiele) bood Goerne intelligent tegenwicht, in Schumann van cruciaal belang. Maar solistisch, in de als entre’acte gespeelde Geistervariationen, bereikte hij niet de top van pianistisch raffinement.

De laatste twee liederen deden aan als de toegiften die niet kwamen: na het uitbundige Ins Freie, een zangerslijflied, werd je in Abendlied met zijn koraalachtige begeleiding en de daar steeds van loskomende zanglijn overrompeld door de rauwe oorspronkelijkheid.