Celstraffen vallen vooral bij ingewikkelde rechtszaken lager uit dan de eis

Onderzoek strafmaat Driekwart van de rechters geeft bij georganiseerde misdaad lagere straffen dan geëist, blijkt voor het eerst uit onderzoek. Zijn rechters ‘te soft’?

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Een man wordt opgepakt voor cocaïnesmokkel naar Nederland. De officier van justitie legt hem drugshandel, witwassen én het leiden van een drugsbende ten laste. Zijn strafeis is 12 jaar cel. Maar de rechter vindt het bewijs dat de man een bende leidt niet sterk en spreekt hem van dit feit vrij. De straf valt daarom veel lager uit: drie jaar cel.

Dit praktijkvoorbeeld komt uit het rapport Geëiste en opgelegde straffen bij de strafrechtelijk afhandeling van georganiseerde criminaliteit dat deze maandag verschijnt. Wetenschappers van de Erasmus School of Law onderzochten de discrepantie tussen de strafeis van het Openbaar Ministerie (OM) en het vonnis van de rechter in strafzaken over witwassen, drugshandel, afpersing, corruptie en mensenhandel. Het rapport is gemaakt in opdracht van het onafhankelijke onderzoeksprogramma Politie en Wetenschap, dat wordt gesubsidieerd door het ministerie van Justitie.

Het onderzoeksthema is nieuw. Sinds midden jaren negentig krijgt de georganiseerde misdaad bijzondere aandacht van politie en justitie, maar er is nooit eerder onderzoek gedaan naar de strafrechtelijke aanpak.

De strafmaat is wel al langer een terugkerend onderwerp in de maatschappelijke discussie. Veel mensen zeggen dat rechters ‘te soft’ zijn. Ook politiefunctionarissen hebben vaker de indruk dat rechters jarenlang recherchewerk teniet doen met lagere straffen.

Dit rapport komt nu voor het eerst met data. Hoofdconclusie: in driekwart van de gevallen legt de rechter een lagere gevangenisstraf op dan de eis van het Openbaar Ministerie (OM). In eerste aanleg wordt bij een gemiddelde eis van vier jaar en vier maanden een gevangenisstraf van drie jaar en één maand opgelegd. In hoger beroep is het verschil nog iets groter: bij een gemiddelde strafeis van vier jaar en tien maanden luidt het vonnis drie jaar en vier maanden.

De bevindingen staan haaks op onderzoek naar de straffen voor kleinere, minder ernstige misdrijven. Bij zulke minder complexe zaken is het verschil tussen eis en vonnis vaak juist heel klein.

Het totaaloverzicht ontbreekt

De onderzoekers hebben voor dit onderzoek de strafzaken van 471 verdachten onderzocht over de periode van 1997 tot en met 2015. Ongeveer de helft van hen werd verdacht van drugshandel.

Het verkrijgen van die data was geen gemakkelijke klus, zegt onderzoeker Karin van Wingerde. De informatie over strafeisen en vonnissen is opgeslagen in verschillende systemen, lang niet altijd volledig en door registratieverschillen soms lastig met elkaar te vergelijken.

Dat is niet alleen lastig voor onderzoekers. Ook voor rechters of officieren die willen weten hoe collega’s elders in het land hebben gehandeld in vergelijkbare zaken. Van Wingerde: „Ook zij missen het totaaloverzicht.”

Henny Sackers, hoogleraar sanctierecht aan de Radboud Universiteit, snapt het wel. Megazaken zijn soms dertig ordners dik, zegt hij: „Die zaken digitaliseren is een enorme klus.”

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep oordeelden de rechters vrijwel even vaak milder dan de strafeis. Van de 471 verdachten onderzochten de onderzoekers in totaal 444 strafzaken in eerste aanleg en 207 zaken in hoger beroep. Conclusie: in 72 procent (eerste aanleg) en 73 procent (hoger beroep) van de zaken gaf de rechter een lagere straf.

De verklaring voor het verschil is niet dat officieren van justitie en rechters anders denken over de ernst of strafwaardigheid van misdrijven, stelt het onderzoek. „Een opluchting”, zegt Sackers: „Anders had je een probleem gehad.”

Het onderzoek biedt wel twee andere verklaringen voor de discrepantie tussen eis en vonnis. Rechters achten niet alle ten laste gelegde feiten van het OM bewezen en spreken verdachten daarom van sommige feiten vrij (partiële vrijspraak). Hoogleraar Sackers: „Dat is de bruto-netto verklaring.”

Lange doorlooptijd

Een officier van justitie probeert zo veel mogelijk feiten ten laste te leggen, zegt Sackers, met als inzet een zo hoog mogelijke straf (bruto). Maar de rechter vindt dat niet alle feiten bewezen kunnen worden (netto). Gevolg: een lagere straf. Het OM in een schriftelijke reactie: „Een strafzaak is geen wedstrijd, maar een zorgvuldig proces met een rechtvaardige uitspraak als doel.”

Verder maken de complexiteit en de lange doorlooptijd van georganiseerde misdaadzaken dat rechters lager straffen dan geëist, volgens het onderzoek. De zaken duren jaren en in die periode kan veel veranderen voor de verdachte (trouwen, kinderen krijgen, een baan vinden). De rechter moet daar in zijn vonnis rekening mee houden.

Oud rechter Martien Diemer: „Je ziet in zo’n megazaak een verdachte drie maanden lang een paar keer per week. Je kijkt wie je voor je hebt. De dramatiek van zo’n figuur komt je dan heel helder voor de geest: het wordt een mens van vlees en bloed.”

Verder is van 180 strafzaken onderzocht of de opgelegde straf in eerste aanleg verschilt met het vonnis in hoger beroep. In zes op de tien zaken is de opgelegde straf in hoger beroep lager dan het vonnis in eerste aanleg. Bij eenderde van hen valt de straf in hoger beroep twee tot vijf jaar lager uit dan de straf opgelegd door de rechter in eerste aanleg.

Dat was ook het geval bij de man die cocaïne smokkelde en in eerste aanleg een straf van drie jaar kreeg opgelegd. In hoger beroep eiste de advocaat-generaal (de officier van justitie bij het hoger beroep) een gevangenisstraf van acht jaar tegen de man. Het gerechtshof ging daar niet in mee en sprak de man vrij van twee ten laste gelegde feiten. De man kreeg uiteindelijk twee jaar cel.

„Op basis van de cijfers uit ons onderzoek is het goed te begrijpen dat verdachten in hoger beroep gaan”, zegt Van Wingerde. „Dat levert een gevangenisstraf op die gemiddeld negen maanden lager is dan in eerste aanleg. Een bij-effect van het onderzoek zou daarom kunnen zijn dat in de toekomst meer verdachten in hoger beroep zullen gaan.”

Rammelt het strafrecht?

Lager straffen in eerste aanleg, lagere straffen in hoger beroep, een versnipperd informatiesysteem: rammelt de aanpak van de georganiseerde misdaad in Nederland? Volgens hoogleraar Henny Sackers niet. „De strafrechtelijke aanpak is slechts één van de pijlers in de aanpak van georganiseerde criminaliteit” vindt Sackers.

Oud strafrechter Diemer: „Nee, dat is een te sombere conclusie. De zaken zijn voor de rechter gekomen, dat is bijzonder. En ze zijn nog veroordeeld ook, dat is het grootste succes. De focus moet niet op de strafhoogte liggen.”