Interview

‘Een been verlies je voor de rest van je leven’

Toine Klerks (30) kende de rolstoelbasketbalwereld van zijn vader Ben, die al jong een been was kwijtgeraakt – en later zelfmoord pleegde. Nu zet ook Toine Klerks zich volledig in voor rolstoelbasketbal. „Ik denk vaak: wat loop ik eigenlijk te zeiken?”

Een portret van Toine Klerks van Basketball Experience Nederland tijdens een training in Papendal Arnhem met het jeugdteam rolstoelbasketbal. Foto: Peter de Krom Peter de Krom

Toen hij klein was dacht Toine Klerks dat alle vaders één been hebben. Zijn eigen vader, Ben Klerks, verloor zijn linkerbeen toen hij achttien was – hij zat aan de rand van de weg zijn brommer te repareren en werd aangereden door een dronken automobilist. Datzelfde jaar overleed Toines opa, hij heeft hem nooit gekend. Zo begon Ben Klerks zijn volwassen leven: zonder vader en zonder been. Daar zat hij, thuis, net klaar met school, in een rolstoel.

Vóór het ongeluk was Ben een fanatieke basketballer. Hij speelde niet professioneel, maar toch in de eerste teams van zijn woonplaats Heusden. Dus begon hij het na een tijdje weer te proberen op het veld. Met een prothese. „Maar die dingen waren in die tijd nog zo zwaar en onhandig”, vertelt Toine Klerks. Ben Klerks kreeg last van zijn stomp, smeet het kunstbeen vaak gefrustreerd in een hoek. Na de wedstrijd bij het douchen werd hij raar aangekeken – teamgenoten vonden hem eng, zo zonder been. Hij moest naar een andere kleedkamer.

Ben Klerks hoorde tijdens zijn revalidatie over het bestaan van een gehandicaptensportvereniging in Eindhoven. Daar hadden ze basketbal voor mensen zoals hij, mensen die een been misten: het amputatieteam. „In dat team ontmoette hij eindelijk mensen die zijn problemen begrepen”, vertelt Toine Klerks. En zijn vader werd meteen een belangrijke speler – de topscoorder. Hij was een grote gast, met brede schouders en flinke armen. „Niet zo dun als ik”, zegt Toine – inderdaad aan de tengere kant. „Komt door m’n moeder.”

Het bleef niet bij eens per week basketballen voor Ben Klerks – het werd serieus. Hij ging spelen voor het Nederlandse team, mee naar de Europees kampioenschappen en de Paralympische Spelen. Thuis in Kaatsheuvel zat het gezin – Toine, zijn twee broertjes en zijn moeder, die haar baan als kapper had opgegeven om fulltime huisvrouw te zijn – op Teletekst mee te kijken naar de uitslagen. Soms ging Toine Klerks mee op toernooi. Dan bouwde hij in de bergruimte hutten van kunstbenen en rolstoelwielen. In 1992 bereikte zijn vader zijn hoogtepunt: een gouden medaille op de Paralympische Spelen in Barcelona.

Zweven in onwetendheid

Toine Klerks, inmiddels dertig, begrijpt nog steeds niet waarom zijn vader, na al die overwonnen tegenslagen, toch zelfmoord pleegde. Hij was 45. Toine was 18 en in Frankrijk op wintersportkamp met school – de Sporthogeschool in Tilburg, hij deed de richting speciaal bewegingsonderwijs. Op de vierde dag belde zijn moeder. De judodocent bracht hem naar huis met de auto – in één rit door. „Het heftigste was het in slaap vallen en dan weer wakker worden”, vertelt hij. Even zweven in de onwetendheid van net wakker zijn, en dan niet meer.

Toine Klerks had wel even genoeg van school. „Ik had een jaar lang geleerd hoe je draaiboeken moest maken voor sportevenementen, en het eerste draaiboek dat ik mocht maken was die van de crematie van mijn vader.”

Hij stopte met zijn opleiding, bleef thuis wonen, maar ging in het weekend „flink op stap”: drinken, feesten, meisjes. „Niet dat ik verslaafd was of zo, maar ik maakte het wel bont”. Bij het speculeren over de reden van de zelfmoord van zijn vader kwam ook naar boven dat hij manische trekjes had gehad. Dat impulsieve begon Toine nu in zichzelf te herkennen.

Op de leuning slaan

Toen hij negentien was moest hij toch weer eens iets gaan ondernemen. Hij ging terug naar de Sporthogeschool en besloot zijn afstudeerstage in Jemen te gaan doen. Toine Klerks had nog nooit gevlogen, was op vakantie met zijn ouders altijd gaan kamperen. Maar daar ging hij: op naar een van de armste landen ter wereld, om daar sportles te geven aan gehandicapte kinderen.

In eerste instantie was het precies de cultuurshock die je zou verwachten, vertelt hij: een blonde jongen uit Kaatsheuvel tussen de Arabische leraressen – allemaal in boerka. Als hij eraan kwam moest hij met een stalen buis op de trapleuning slaan, zodat de vrouwen zich nog snel even konden sluieren. Arabisch sprak hij niet, maar na een aantal lessen – een van de docenten wees op een plaatje en scandeerde het bijbehorende woord – ging het steeds beter, ook met lesgeven.

„De kinderen daar kregen sporten echt aangeleerd als een prestatiemoment”, zegt hij. „Wie kan het hardste rennen, wie kan het hoogste springen.” Terwijl sporten, vindt hij, juist gaat om teamspelen, leren van elkaar.

Daar had zijn vader zo veel aan toen hij begon bij het amputatieteam. „Het ging niet alleen om het winnen, zelfs niet alleen om het basketballen, maar net zo goed om iemand te hebben aan wie je kon vragen: hoe bevestig jij je prothese eigenlijk? Of: hoe krijg jij zo’n deur open?”

Opkomen voor zwakkeren

Na zijn afstuderen werd Toine Klerks in 2008 door Gert-jan van der Linden, voormalig speler en inmiddels bondscoach van het Nederlandse rolstoelbasketbalteam, gevraagd het team te komen versterken als teammanager. Van der Linden had nog gespeeld met Toines vader, en Toine vond het „heel fijn” weer terug te komen in die wereld. „Overal waar we kwamen ging het over ‘Big Ben’.” Hij hoorde verhalen over zijn vader die hij niet kende: hoe hij opkwam voor de zwakkeren in het team – de mensen met een dwarslaesie bijvoorbeeld, die het op het veld veel lastiger hebben dan mensen die één of twee benen missen. Dat hij in de kroeg altijd voor zijn vrienden opkwam als ze belachelijk werden gemaakt werden vanwege hun rolstoel.

Het was ook goed voor zijn relativeringsvermogen, zegt hij, om bij het team aan de slag te gaan. „Als je met die jongens op reis gaat, moet je vaak lang wachten. Op de rolstoelen waarmee ze in het vliegtuig kunnen, op de lift die hen erin en eruit moet tillen.” Tijdens dat wachten komt ‘hun verhaal’ boven – de manier waarop ze gehandicapt zijn geraakt. De een is op missie in Afghanistan geraakt door ‘friendly fire’, de ander is omvergelopen door een pony. Weer een ander heeft zichzelf van een gebouw gegooid: mislukte zelfmoordpoging. „Door dat soort verhalen denk ik vaak: wat loop ik eigenlijk te zeiken.” Ja, je vader verliezen op je achttiende is ook behoorlijk vervelend. „Maar na twee jaar kan je er dan echt wel weer tegenaan. Zo’n been verlies je voor de rest van je leven.”

Ben Klerks had als droom een overkoepelende organisatie op te zetten ter promotie van het rolstoelbasketbal. „Het klinkt stom”, zegt Toine Klerks, „maar binnen de gehandicaptensport is behoorlijk veel concurrentie”. Er zijn eindeloos veel mogelijkheden voor mensen met een verstandelijke of lichamelijke beperking: paardrijden, zwemmen, zitvolleybal, rolstoelrugby en -tennis. Ondertussen wordt de medische zorg steeds beter, en zijn er steeds minder Nederlanders met een handicap – en dus minder vraag naar speciale sporten. Maar, vond Ben Klerks, en nu ook Toine, basketbal zou dé gehandicaptensport moeten zijn. Niet alleen omdat basketbal een teamsport is, met de bijbehorende sociale voordelen, maar ook omdat bij basketbal als een van de weinige gehandicaptensport verschillende handicaps samen kunnen in een team. „Iemand met een dwarslaesie kan niet zitvolleyballen, maar wel meebasketballen met mensen die een been missen.” Op het veld is iedereen gelijk – ongeacht de hevigheid van de beperking.

De juiste rolstoel

Om het rolstoelbasketbal te promoten is er, sinds 2014, BEN: Basketbal Experience Nederland, geleid door Toine Klerks en door Gert-Jan van der Linden. Samen geven ze clinics, presentaties en workshops aan scholen en bedrijven. Ze ondersteunen gehandicapten die willen beginnen met basketbal zoveel mogelijk, bijvoorbeeld door hen te helpen de juiste rolstoel te vinden en die te laten vergoeden door de verzekering, of door hun simpelweg een lift te geven naar het stadion.

Toine Klerks geeft ook presentaties voor bedrijven en instellingen – vaak als ze daar in een reorganisatie zitten. Zijn thema: omgaan met verandering. Zijn adviezen: probeer vast te houden aan je eigen identiteit, blijf bij de doelen die je gesteld had vóór de verandering en wees vooral trots. „Met de borst vooruit in de rolstoel.”

Inmiddels is Toines vriendin zwanger. „ Wat zo leuk is aan mijn vriendin: ze heeft mijn vader ook gekend. Vroeger woonde ze bij ons in de straat.” Een relatie kregen ze pas later, toen zijn vader al overleden was, „maar het is toch leuk dat ze weet over wie ik het heb.”

Zijn er dingen die hij anders wil aanpakken dan zijn vader? „Meer delen”, zegt hij beslist. „Emoties enzo. Affectie laten zien.” Zijn vader deed dat weinig, zegt hij, was een binnenvetter, hield zijn problemen en gevoelens liever voor zichzelf. Hij kan zich weinig knuffels van zijn vader herinneren. Maar eentje weet hij nog wel heel goed: die ene hele stevige, toen hij afscheid nam om op wintersport te gaan met school.

Praten over zelfdoding kan bij hulp- en preventielijn ‘Zelfmoord? Praat erover’. Telefoon 0900-0113 of www.113.nl