Column

Catalonië wil geen extreem-rechtse steun

De Catalaanse geestverwanten van Geert Wilders en Thierry Baudet zitten bij mij aan tafel: een ecoloog, een trotskist, een socialist, een feminist. Allen voorstanders van de republiek Catalonië. Het is zondagmiddag. Op het terras van Cafè de la Plaça, even buiten Girona, staan flesjes rood bitter en schaaltjes olijven op tafel.

De meest conservatieve van het gezelschap, een partijgenoot van de afgezette president Puigdemont, houdt een vurig pleidooi voor een sociaal stelsel van uitkeringen voor de armsten, dat bestaat hier nog niet. Xavier Vinyoles, wethouder van de socialistische partij Esquerra Republicana, zegt: „We hebben twee doelen: de onafhankelijkheid en direct daarna een linkse sociale maatschappij.” In zijn visioen worden alle geprivatiseerde overheidsbedrijven weer nutsvoorzieningen: gas, licht, water, scholen, gezondheidszorg.

Eva Rigau, de vertegenwoordigster van de CUP – een amalgaam van rode idealisten – legt uit hoe de partij wekenlang bezig is van onderop besluiten te nemen, van lokaal niveau tot in de regionale assemblee. Dan worden er vast veel waterige compromissen gesloten, zeg ik. Ze steekt een olijvenprikkertje in haar mondhoek. „Denk je? Dit najaar moest de partij haar prioriteit bepalen: het onafhankelijkheidsstreven of de sociale strijd? De eerste won – nipt.”

Esquerra opereert binnen de wet, zegt Vinyoles. CUP niet. „Wij bezetten kerncentrales”, zegt Eva Rigau. „We helpen vluchtelingen zonder verschil te maken tussen illegalen en asielzoekers. We zijn burgerlijk ongehoorzaam.”

Wat Madrid niet lijkt te begrijpen, zeggen alle disgenoten: het verlangen naar een eigen republiek komt niet van de partijen, maar van de burgers die zich hebben aangesloten bij afscheidingsbewegingen. „De politiek heeft dat verlangen overgenomen”, zegt de partijgenoot van Puigdemont. „En vervolgens zijn de partijen allemaal naar links opgeschoven.” Waarom naar links? „Omdat premier Rajoy de productiviteit wil verhogen door de lonen te verlagen”, zegt Vinyoles. „Wij willen niet op Griekenland lijken, maar op Denemarken.”

Ze weten dat ze buiten Spanje alleen sympathie krijgen van extreem-rechtse partijen. Die hebben de onafhankelijkheidsstrijd aangemoedigd omdat ze de pest hebben aan Europa, denken mijn gesprekspartners. Vinyoles legt zijn hoofd in zijn handen. „Ik schaam me.”

In de basiliek van Girona had ik na de mis, achter de scharlakenrode bisschop, de vicepresident van Catalonië naar buiten zien lopen. Een vrouw maakte zich los uit het legertje aanhangers en klampte me vast. Marta heet ze en ze heeft een goede functie bij een bank. „Alsjeblieft”, zei ze. „We dreigen de risee van Europa te worden. Geef ons een goede pers.”