Cultuur

Interview

Interview

Foto’s Stephan Tellier / bewerking NRC Fotodienst

Naar de ratten voor olympisch goud

Interview Sven Kramer en Douwe de Vries

Sven Kramer is klaar voor het nieuwe schaatsseizoen, dat dit weekend begint met de NK afstanden in Heerenveen. De schijnbaar onbreekbare kampioen kende moeilijke tijden. „Na Sotsji was ik gewoon algeheel ‘af’.”

Tussen vraag en antwoord zit geen halve seconde. Of Sven Kramer weet hoelang het nog duurt voordat hij in de Gangneung Oval begint aan zijn vierde Olympische Winterspelen? „125 dagen”, klinkt het met een zelfverzekerde lach. Het is zomaar een woensdagochtend in oktober, de meest succesvolle schaatser aller tijden zit aan een flesje water in de Konditorei van zijn geliefde trainingsoord Inzell in Zuid-Duitsland. „Ik ben niet aan het aftellen. Maar ik weet wel van elke dag tot de Spelen nu al wat ik ga doen.”

Nog één keer neemt Kramer (31) tot de Spelen tijd om uitgebreid zijn verhaal te doen. Vandaag. Richting NK afstanden, dit weekeinde de start van het schaatsseizoen, mag niets afleiden van zijn doel: olympisch goud op drie onderdelen, het allerliefst op de tien kilometer waarop het in Vancouver en Sotsji misging. Het winnende plan heeft hij al in zijn hoofd sinds de gouden 12.38,89 bij de WK afstanden vorig jaar, parel aan de kroon in een topseizoen. „Als-ie zo lukt als ik wil, rijdt er niemand harder.”

Goud op de vijf, de tien en de ploegenachtervolging in februari in Zuid-Korea? „Ik denk nog steeds dat dat reëel is.” Onfeilbare kampioen, beter dan ooit. En zo relaxed. Alsof het allemaal vanzelf gaat.

Achterkant van de medaille

Als iemand de achterkant van de medaille kent, dan is het Kramers ploeggenoot Douwe de Vries. „Niet iedereen ziet dat we er in de zomer een bak werk insteken”, vertelt de 35-jarige Fries later die dag in de lobby van het hotel in Inzell. Trainingskampen met coach Jac Orie en de sterrenploeg van Lotto-Jumbo.

Maar vooral ook veel wielrennen, thuis in Friesland en in wedstrijden. „Het zal richting de 10.000 gaan”, becijfert De Vries hun aantal kilometers van april tot september. Voor de allrounders, met de lange afstanden als sterkste wapen, is het de kurk van hun programma. Fundament van gewapend beton voor een lange olympische winter. „Wij maken meer uren dan sprinters. Wat meer rammen, iets driester allemaal.”

De wielerkoers ‘de Acht van Noordenveld’ op 11 juni, De Vries huivert nog steeds bij de gedachte. „Het was bloedheet, ik had te weinig gedronken en had kramp net in de finale. Ik stond stil onder het vod van de laatste kilometer, ik kon niks meer. Maar ja, we zouden na afloop nog met de fiets vanuit Roden terug naar Heerenveen. Kom ik vijf minuten na Sven over de finish, hup omkleden en daar gingen we weer. Man, ze konden me echt wegdragen. Sven lachen, die vond het mooi. Maar vervolgens kreeg hij het zelf ook vet zwaar. We hadden 180 kilometer in de benen. En dan nog 60 naar huis. Dat zijn inspanningen hoor, daar ben je een paar dagen helemaal van naar de kloten.” Of: „naar de ratten”, zoals Kramer in hun eigen taal zegt.

Noodsignalen van de hartslagmeter

Twee Friezen, één en dezelfde sportbeleving. Nooit ‘afgeven’ of voor elkaar onder willen doen, door weer en wind, als het moet tegen alle noodsignalen van de hartslagmeter in. Niet van dat voorzichtige. Kopbeurten van een half uur, met een gemiddelde tot wel 37 kilometer per uur. „Douwe is voor mij heel belangrijk”, stelt Kramer, die oud-marathonschaatser De Vries eind 2011 zelf bij zijn toenmalige ploeg TVM haalde. „Het is mooi om te zien hoe hij op zijn 35ste nog steeds elke dag beter wordt. Ik hoop dat hij zich plaatst voor de Spelen. Ten eerste voor hemzelf. Maar ook omdat hij een absolute meerwaarde is voor mij.”

Beiden profiteren van hun eeuwigdurende competitie in de training. De Vries groeide de laatste jaren uit tot subtopper op de vijf kilometer en drievoudig wereldkampioen op de ploegachtervolging. „Ik heb zoveel profijt gehad van het trainen met Sven.”

Zijn eigen waarde voor Kramer? „Natuurlijk zijn voor Sven de trainingsprogramma’s van Jac (Orie) heel belangrijk. Maar als hij het dan in zijn eentje zou moeten doen, werd het lastig. Je hebt jongens om je heen nodig.”

Naast de Friese routiniers zijn dat in de allround-trein van Lotto-Jumbo de jongeren Patrick Roest, die vorig seizoen de wereldtop al bestormde, en wereldkampioen junioren Chris Huizinga. „Ik heb soms kritiek op de jongere generatie”, zegt Kramer. „Maar deze twee gasten zijn mijns inziens uit het goede hout gesneden. En zo niet dan worden ze het. Ze zullen toch mee moeten. Wij wachten niet, hoor.”

Another day at the office

Praten, al die uren op de fiets? „Man, ik praat bijna meer met Sven dan met mijn eigen vrouw”, zegt De Vries lachend. Vindt Kramer ook zo leuk aan wielrennen. „In de koers kun je nog eens wat zeggen.” Afzien en genieten. Na another day at the office even afreageren op een warme Friese zomeravond met de surfplank op hoge snelheid achter de boot van Kramer, als schippers van de Kameleon? De Vries: „Vind ik mooi, op zo’n plankie achter de boot.” Kramer over hun band: „Douwe is absoluut een vriend van mij.”

De Vries kent als geen ander de mindere momenten van de op het oog onfeilbare kampioen. „In de zomer heeft Sven ook pieken en dalen.” Eind april, een val in een wielerkoers in Drenthe: gebroken sleutelbeen. „Dan doet hij super zelfverzekerd. ‘Ik ben zo weer hersteld.’ Maar hij heeft daar echt wel wakker van gelegen. Hij doet een testje, slaan de waardes ineens door naar de verkeerde kant. Door de narcose. Dan denk je als sportman: wat moet ik nou? Dan ben je niet zo zeker meer hoor. Sven ook niet. De buitenwacht ziet hem nu schaatsen en zegt: lekker getraind zeker, gaat alles winnen, saai. Nou, dat is dus dikke onzin.”

Neem de zomer na de vorige olympische campagne naar Sotsji, toen Kramer tot twee keer toe moest worden geopereerd aan zijn luchtwegen. „Dat was het slechtste hoe ik Sven ooit heb gezien. We zijn weer gaan fietsen op een gegeven moment. Reed hij met een hartslag van 180 achter ons. ‘Ik ga niet op kop, ik ben helemaal naar de klote.’ In de winter wint hij dan nog, omdat hij zo vreselijk goed kan schaatsen. Maar hij zat er totaal doorheen.”

Kramer bevestigt. In 2014 was hij zelfs slechter dan in 2010, toen hij door een beenblessure in combinatie met mentale problemen een jaar lang niet kon schaatsen. „Fysiek gezien was ik drie jaar geleden slechter dan na Vancouver. Na Sotsji was ik gewoon algeheel ‘af’. Als je twee keer geopereerd wordt aan een streptokok-bacterie, weet je hoe ver je weg bent. Dat kost je gewoon een jaar.”

‘Wat is dit voor figuur?’

Een tobbende Kramer is volgens De Vries geen fijn gezelschap. „Toen ik net bij de ploeg zat, dacht ik: wat is dit voor figuur? Toen heb ik me echt verbaasd over Sven. Alles moest op stel en sprong gebeuren zoals hij het wilde, hij zat overal bovenop, al moesten hemel en aarde worden verzet. Nu is hij chiller. Als hij ergens last van heeft, wacht hij tot hij thuis is met naar de fysio te gaan in plaats van dat direct mensen overal vandaan moeten worden getrokken.”

Fysieke overmacht maakt relaxed, stelt Kramer. Van TVM en coach Gerard Kemkers vertrok hij in 2014 naar Lotto-Jumbo van Orie. „Ik heb vier jaar kunnen groeien, daar zit de kracht in. Weinig ziek geweest, weinig blessures. Zo kom je in een positieve spiraal. Mijn duurvermogen is beter geworden, maar mijn absolute piek-power ook.” Zelden gezien bij een topsporter van 31. „Ik verbaas mezelf er ook over.” Maar het idee dat het vanzelf gaat? „Dan denk ik dat je het werk onderschat dat er in zit.”