#MeToo: bij beschuldigingen horen checks en wederhoor

Is #MeToo ontaard in een heksenjacht, waarbij alle journalistieke normen worden losgelaten en van alles door elkaar wordt gegooid? Die kritiek klinkt, na een volle week onthullingen en beschuldigingen. Een te verwachten vraag over slachtofferverhalen: in hoeverre zijn die te verifiëren, zijn ze relevant, wanneer is wederhoor geboden?

Zaterdag bracht NRC een indrukwekkend artikel van vijf pagina’s met 23 getuigenissen (20 vrouwen, 3 mannen) over seksuele intimidatie en misbruik. Onder naam en met portret van de geïnterviewden, frontaal tegen een Pruisisch-grijze achtergrond (vier van hen waren niet beschikbaar voor een foto).

Dat is inmiddels een genre, sinds New York Magazine in juli 2015 op de voorpagina 35 vrouwen portretteerde die hun verhaal deden over misbruik door Bill Cosby. Vorig jaar liet The New York Times twee vrouwen aan het woord die zeiden te zijn betast door Trump.

Zijn alle remmen nu losgegaan?

Nee, dat niet. Allereerst, bij een lawine-effect zoals na de onthullingen over producer Harvey Weinstein is het vrijwel onvermijdelijk dat eerst van alles door elkaar gaat lopen, zoals ook de irritatie en vermoeidheid daarover voorspelbaar zijn. Ook het zaterdagse NRC-stuk bevatte sterk uiteenlopende voorbeelden, van strafbaar tot incidenten waar anderen schouderophalend op zullen reageren. Voor duiders is er volop werk aan de winkel: over de amerikanisering van normen en omgangsvormen, over slingerende pendules voor, tijdens en na 1968 – het terrein ligt braak.

Na die fase van agendering is het zaak de blik scherp te stellen. En dan is de rode draad duidelijk: dit gaat niet om alles wat er kan misgaan in de tragikomedie tussen de seksen, maar om afhankelijkheid, machtsmisbruik en geweld.

Uiteraard moeten de journalistieke regels dan wel worden gevolgd, zeker bij deze beschuldigingen, die een verwoestend effect kunnen hebben: checken, bewijs zoeken, relevantie wegen, wederhoor bieden. Berucht is de misstap van het Amerikaanse blad Rolling Stone, dat in 2014 grandioos de mist inging met een verhaal over verkrachting op een universitaire campus. Het was niet gecheckt, wederhoor was niet verleend (de naam van de ‘dader’ was in het artikel gefingeerd). De verleiding van een ‘mooi verhaal’ was sterker gebleken dan de regels van het vak.

Wederhoor is niet altijd verplicht, het hangt af van de opzet van een artikel en wat een redactie ermee beoogt. Het NRC-stuk op die zaterdag met 23 getuigenissen was bedoeld om te laten zien dat zulke verhalen „overal zijn”, zoals in de inleiding van het artikel stond.

Dan gaat het dus niet om een beschuldiging, maar om het signaleren van een maatschappelijk verschijnsel. Daarom bleven de beweerde daders anoniem, en waren ze zo omschreven dat ze vrijwel onmogelijk te herkennen zullen zijn: „mijn baas”, „die man”, „een man” in de kroeg, „een fietser”. De geïnterviewden kregen hun tekst tevoren te lezen, ook de fotografie werd besproken, inclusief de keus voor de voorpagina.

Eén verhaal paste er minder goed in, vond ik. Dat was het relaas van actrice Cat Smits, die eerder al in andere media concrete beschuldigingen uitte aan het adres van haar leraar op de Amsterdamse theaterschool, Jappe Claes. Dat relaas was dus wél herleidbaar, ook al omdat in het stukje werd verwezen naar het verweer van de Vlaamse acteur „deze week in de Volkskrant”. Bovendien: het nieuws dat Claes was opgestapt bij het Nationale Theater werd nota bene diezelfde dag door NRC gemeld.

Ja, dan heeft het weinig zin zijn naam weg te laten – én zou je willen dat hem ook, nu dit relaas geen illustratie meer is maar een concrete casus, meer wederhoor was geboden dan een citaat uit een andere krant. Of had zijn verhaal overgelaten aan de nieuwspagina’s.

Wederhoor was zeker een must, en werd dan ook verleend, bij het bericht dat uitgeverij Atlas Contact een redacteur had geschorst na een naamloze beschuldiging over opdringerig gedrag in een opiniestuk in de Volkskrant. De redacteur kwam in NRC aan het woord, zijn naam werd niet genoemd. Omdat, zeggen de auteurs, zij niet beschikten over bewijs. Het nieuws was hier ook eerder de maatregel van de uitgeverij dan het gedrag van betrokkene.

Terra incognita is dit intussen niet. NRC deed ruime ervaring op met het onderzoek van Joep Dohmen en Robert Chesal naar misbruik binnen de katholieke kerk. Zij zochten bewijs, legden een database aan (waardoor patronen konden worden herkend). Verschil: dat was meer historisch onderzoek, naar misbruik van minderjarigen. Overeenkomst: ook hen ging het toen minder om namen van daders dan om de structurele vraag waar misbruik was gepleegd of werd toegedekt.

Wat daarnaast opviel in het verhaal met 23 getuigenissen: veel geïnterviewden waren of zijn werkzaam als hoger opgeleide (advocaat, dominee, wethouder, beleidsmedewerker, accountmanager, een Tweede Kamerlid) en vaak in de zorg (inclusief de voorzitter van een stichting tegen seksueel geweld). Ik telde één arbeidsongeschikte.

Dat doet niets af aan hun verhalen en representativiteit was ook niet het doel van het artikel. Toch zou die sociale zelfselectie aanleiding moeten zijn om breder te kijken. Misbruik zal juist voorkomen in sectoren waar de machtsverhoudingen nog scherper zijn en werknemers minder te vertellen hebben.

Tot slot de morning after. Was dit dan alweer de hype van de dag?

Dohmen en Chesal hielden ook na publicatie contact met slachtoffers. Terecht, bronnen zijn meer dan contentleveranciers, zeker bij intieme of traumatische ervaringen. Ook de auteurs van het zaterdagstuk deden dit. Een lezer twitterde: „Stil van dit artikel. Ook omdat het herinneringen bovenbrengt die ik heel lang heb verdrongen.”

Ook dat kan een functie zijn van journalistiek – zonder heksenwaag.

Reacties: ombudsman@nrc.nl