Recensie

Zoeken naar die oerkracht

Marije Langelaar

De gedichten in de nieuwe dichtbundel van Marije Langelaar hebben een spirituele bijklank. Van triviale situaties maakt ze iets mystieks.

In Vonkt, de eerste bundel van Marije Langelaar in acht jaar die deze week bekroond is met de Jan Campert-prijs, beweegt alles, of ze zich nu beperkt tot een aantal woorden of gedichten die uitwaaieren over meer pagina’s. We volgen iemand die zich erop toelegt om opnieuw in contact te komen met een soort oerkracht, een vitale levenskracht. Is die ik-persoon aanvankelijk nog besloten in allerlei huiselijke omstandigheden en persoonlijke smart, naarmate de bundel vordert drukt zij steeds meer het gaspedaal in om in harmonie te komen met alles om haar heen, óók met die alledaagse omgeving.

Openingsafdeling ‘Een afgrond omsingelen’ suggereert tal van kwellingen, zoals een uit balans geraakt contact tussen twee individuen. In ‘Vertrek’ gaat het ontsporen als volgt: ‘Het stuiptrekken, het missend grijpen / in onze ogen is geen ontmoeting / geen vallen / enkel een wond waarbinnen ons kind.’ In veel van deze gedichten is de spanning voelbaar, alsof er een dijk op doorbreken staat.

De manier waarop Langelaar dicht, heeft twee effecten. Allereerst wordt de wrijving in veel van deze gedichten versterkt door de gelijkschakeling van regels en beelden, omdat die vonkend langs elkaar schuren. Dat doet ze soms door het gebruik van een punt of een komma, maar geregeld laat ze die achterwege. Het andere effect is dat van een ongelimiteerd stromen: beelden worden op elkaar gestapeld, regels vloeien moeiteloos in elkaar over. Hoewel elementen met elkaar kunnen botsen, zijn beide deel van een groter harmonieus geheel. In beide gevallen – wrijving of vloed – is een pulserende energie voelbaar die niet te grijpen is, maar in de richting wijst van een mysterieuze en oorspronkelijke vitale levenskracht. Dat geeft de gedichten een spirituele bijklank en maakt van triviale situaties iets mystieks, zoals in ‘Vonk’, waarin ze over een vonk in alles en iedereen spreekt, terwijl ze bij de radio is: ‘Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten. / Er zit een vonk in u beste presentator! Ik / smeet het over de tafel.’

De dichter probeert weer in balans te komen met die kracht. Al in het gedicht ‘Bevrijding’ kondigt ze die trip aan met de prachtige regel ‘Ik teken de contouren van mijn bevrijding uit.’ Vanzelfsprekend kan iemand zich niet totaal ontdoen van de wrijving die met het leven gepaard gaat, maar jezelf openstellen voor de wereld kan al heel veel veranderen. Hoopvol klinkt het einde in ‘Het zaad’: ‘De laaghangende zon begon te zingen, zacht maar doordringend, alles / wat we hadden gefluisterd, steeds opnieuw, tegen de cellen / die zich begonnen te vermenigvuldigen en aandachtig luisterden / en zo vormde het kind.’

Ergens schrijft Langelaar: ‘gonzende punten in een ondefinieerbare schepping’. Die karakterisering lijkt me uitstekend van toepassing op wat ze in Vonkt probeert: opnieuw in harmonie komen met de wereld, via frictie, ontregeling en overgave. Die geslaagde poging zit vervat in het ambigue werkwoord ‘kloppen’ dat een aantal keren in de bundel voorkomt. Enerzijds duidt dat woord op een ritmisch bewegen, zoals (de slagen op) de trom, en anderzijds wijst het op in overeenstemming zijn met de omstandigheden, samengebald in de woorden ‘die vonk is in mij’.