Recensie

Wrange lachspiegel voor de lezer

Paul Beatty

De roman Tuff uit 2000 heeft veel weg van Beatty’s Booker Prize winnende roman De verrader. In beide gevallen hoop je als lezer vooral dat dit satire is.

‘Aan de ene kant is deze messias-klus echt kut. Aan de andere kant is het me eindelijk gelukt om het eeuwige gebrek aan Afrikaans-Amerikaanse leiders op te vullen’. Met deze openingszinnen uit zijn prozadebuut The White Boy Shuffle zette de Amerikaan Paul Beatty in 1996 zijn kijk op de wereld neer en die binnenkomer bleek typerend voor al het proza dat hij sindsdien schreef, ook voor de nu heruitgegeven vertaling van zijn roman Tuff uit 2000.

In Tuff gaat het om Winston ‘Tuffy’ Foshay, een negentienjarige man van 145 kilo, die een vrouw, een kind en een goudvis heeft. Wanneer hij aan een schietpartij weet te ontsnappen, maar daar wel een kogelgat in zijn neus aan overhoudt, besluit hij dat het anders moet. Tuffy gaat een baan zoeken, omdat hij niet langer door het leven wil als ‘dufgetrommelde, zongeblakerde inboorling uit een roman van Joseph Conrad’.

Uit de weinige baantjes waar hij tussen kan kiezen – astronaut lijkt leuk, maar rekenen is niet Tuffy’s ding en wiet verkopen in plaats van heroïne levert weinig op – laat hij zich porren om zich verkiesbaar te stellen voor de gemeenteraad van East Harlem. Het levert hem snel een flinke som geld op.

Omdat hij Democraat noch Republikein wil zijn, richt hij een nieuwe partij op met de naam ‘Een partij’. De verkiezingsleuzen van Tuffy waarmee hij aandacht wil trekken, zijn helder, bijvoorbeeld: ‘Tegen katten in de supermarkten. Tegen politie. Tegen politie. Tegen politie. Tegen politie. Help het systeem om zeep’. Posters tonen een foto van hem op de dag dat hij door een rechter is vrijgesproken omdat de politie niet kwam opdagen om te getuigen. De tekst eronder doet de aanbeveling: ‘een linke pik’.

In Tuff (mooie romantitel wat mij betreft) gebeurt er aan de oppervlakte weinig. Er is niet echt een plot en sommige passages zijn wat al te breed uitgemeten. Anderzijds gebeurt er wel degelijk veel: de roman lijkt soms een spoedcursus in het mislukte pogen tot ‘één-zijn’ en er worden literaire klassiekers in een ander perspectief geplaatst. Zo snijdt een wit meisje Tuffy met een schaar om vervolgens zijn bloed op te drinken, met de mededeling: ‘Nu zijn we allebei negers’. Allen Ginsbergs klassieke beginregels uit Howl, ‘I saw the best minds of my generation destroyed by madness’, worden door Tuffy omgezet in ‘Ik heb gezien hoe de beste blanke geesten van mijn generatie zich bij zonsopgang, als Edgar Rice Burroughs Tarzans, vernietigd door waanzin, hongerend hysterisch nakend door de smerige, lawaaiige, met zaadvlekken besmeurde, oversekste negerstraten sleepten op zoek naar een flitsende shot’.

Of het nu de merkwaardige surf-zwerver uit The White Boy Shuffle is, de 21ste-eeuwse zwarte slavenhouder Me uit De verrader, of de dikke politicus Tuffy: Beatty houdt de lezer een wrange lachspiegel voor. Toen Beatty als eerste Amerikaan vorig jaar de Booker Prize won, voor zijn roman De verrader, zei hij in deze krant dat vooral witte lezers zijn romans lezen als satire. Dat zal ongetwijfeld. Hoe lees je anders de politicus die uitlegt dat hij zijn auto niet durft te parkeren in het district waar hij zich verkiesbaar stelt. Je weet beter, maar je hoopt vooral dat zo’n opmerking satire is.