Recensie

Wolkers herlezen, vooral Turks Fruit: it ain’t a pretty sight

Een officiële hashtag leverde het niet op, maar het viel niettemin op, zo kort na de tewaterlating van Onno Bloms Het litteken van de dood, hoeveel schrijvers afgelopen week de moeite namen om op Twitter iets vileins te zeggen over Jan Wolkers. En dat terwijl deze krant het precies tien jaar geleden, toen Wolkers overleed, had over zijn ‘tijdloze oeuvre van schilderijen, sculpturen en literair werk’. In de literatuurbijbel Lezen etcetera (2002) merkte boekenvorser Pieter Steinz zelfs op dat het best vreemd was dat bij het jaarlijkse gegis naar de nieuwe Nobelprijswinnaar de naam van Wolkers nooit viel.

Is Wolkers zo’n schrijver die je óf verafschuwt óf juist innig koestert? Laten we het erop houden dat je bij de herlezing van zijn bekendste romans heen en weer wordt geslingerd tussen vrij extreme oordelen. Zo leest zijn 55 jaar oude romandebuut Kort Amerikaans (1962) nog steeds als een spannende en bezielde oorlogsroman. Als Eric van Poelgeest een gereformeerd meisje zover weet te krijgen dat ze met hem mee gaat naar zijn kamer, en zij onderaan de trap om ‘een zoentje’ vraagt, wil hij weten ‘wat dat nou voor kindertaal’ is, ‘zo’n zoentje’. ‘„Dat zei ik vroeger toen ik een klein meisje was voor het naar bed gaan,” zei ze bedeesd. Nu zeg je het ook voor het naar bed gaan, dacht Eric. Alleen weet je het nog niet.’

Zeven jaar later was de beer met Turks fruit (1969) op dat vlak echt los. And it ain’t a pretty sight, om eerlijk te zijn. Het is niet zozeer het ‘naaien’ zelf, of de maniakale aandrang daartoe die afschrikt, het is toch vooral het fletse, eendimensionale portret van de aanbeden Olga. Je voelt geregeld de neiging om, à la Primo Levi, ‘is dit een mens?’ in de kantlijn te zetten als het weer gaat over haar ‘tieten’, ‘reet’ of ‘kut’.

Wat ook niet bijdraagt aan het kweken van sympathie is dat haar innerlijk verder toch vooral als onbenullig wordt neergezet. Een paar jaar geleden liet de Algerijnse schrijver Kamel Daoud in Moussa of de dood van een Arabier de man spreken die decennialang een man zonder stem was geweest in Camus’ De vreemdeling. Misschien moet er in Nederland iemand opstaan die Olga een stem geeft, want de tamelijk ontluisterende conclusie na lezing van Turks Fruit is toch wel dat een van de klassieke personages uit onze letteren een flat character is.

De zwakte zit hem in het feit dat Wolkers niet zo veel met die obsessieve wipdrift en infantiele blik van de beeldhouwer doet. Hij laat hem maar voort denderen, waarmee hij hem in wezen vrijpleit. Olga krijgt alleen aan het eind even de mogelijkheid om te zeggen dat de zeven keer per dag dat hij zich aan haar opdrong (het arme kind kon geen kop koffie zetten of hij bood zich al weer stootsgewijs aan) wel wat erg veel was. Dus, leraren in den lande, schotel uw leerlingen in de toekomst eens het recentere Godin, held van Gustaaf Peek voor als u ze iets bij wilt brengen over het tragische mannenoog. Gelaagder, heser, beter.

Oude gebouwen blaas je niet op met een rotje, moet Wolkers gedacht hebben, zoiets doe je met dynamiet. Het is vermoedelijk dat pontificale, een stijl waar hij steeds meer op terugviel, dat lezers ordentelijk in de kampen voor en tegen verdeelt.

In Terug naar Oegstgeest (1965) wordt er aanvankelijk op het karikaturale af gefoeterd op de gereformeerde plek waar Jan opgroeide, maar je wordt je pas ná die inpepering bewust van de uitwerking van een straatarme jeugd vol verbod en bederf (en ter dood gebrachte dieren), omdat er dan echt verteld wordt. En je er dus zelf, als lezer, ook eens op los mag interpreteren. Die vrijheid bood de bevrijder je in al zijn temperament te weinig.