Recensie

Verpletterd onder zijn erfzonden

Identiteitspolitiek Volgens Mark Lilla leidt de fixatie van links op identiteit tot een ‘pseudopolitiek’ die rechts in de kaart speelt. De vele kritiek op hem betekent niet dat hij ongelijk heeft. Maar zijn remedie is te vaag.

Portia Smith, een transgendervrouw uit Wyoming. Foto Carolyn Drake/Magnum Photos/HH

Wie is Mark Lilla, en waarom zegt iedereen zulke verschrikkelijke dingen over hem? Die variant op een film uit de jaren zeventig (Who is Harry Kellerman and Why Is He Saying Those Terrible Things about Me?, 1971) dringt zich op bij de Amerikaanse reacties op Lilla’s boek The Once and Future Liberal.

In recensies en op sociale media wordt Lilla gehekeld als een reactionair en halve racist. Zelfs de doorgaans bedaagde boekenbijlage van The New York Times liet zijn boek afmaken als een ‘naargeestig’ werkje van een ‘klagende professor’. Conclusie van de bespreker, een docente aan Yale: dit is ‘trolling verkleed als eruditie’. Andere recensies waren niet veel milder.

Mark Lilla (1956) is een Amerikaanse politicoloog en liberal, die naam maakte met artikelen en boeken over activistische intellectuelen (The Reckless Mind, 2001), godsdienst en politiek (The Stillborn God, 2007) en het failliet van het reactionaire denken (The Shipwrecked Mind, 2016). Maar zijn vergrijp, pardon zijn jongste boek, is een korte maar agressieve polemiek tegen ‘identiteitspolitiek’ onder Amerikaans links. Het denken in gender- en etnische identiteiten is volgens Lilla een intellectuele ‘obsessie’ geworden die de klassieke achterban van de Democratische Partij heeft vervreemd en effectief politiek handelen in de weg staat. Als remedie bepleit hij de terugkeer naar een gedeeld ‘burgerschapsideaal’.

Identiteitspolitiek, waarin gender en etniciteit de essentie van een zelf- en wereldbeeld worden, is voor rechts altijd al een beproefde methode geweest, erkent Lilla – zie Trump. Maar juist voor links, dat een universele, egalitaire aspiratie moet hebben, kan ze fnuikend zijn en uitlopen in etnische en culturele balkanisering. De sociale mainstream (het ‘klootjesvolk’) is volgens hem door links verlaten, ten gunste van de marges. Spreekrecht wordt voorbehouden aan wie een bepaalde identiteit deelt of die in alle finesses respecteert. Zo sluiten zich hermetische werelden, draait maatschappelijke actie om ‘representatie’ (dus: herkenning), wordt coalitievorming onmogelijk en is kritiek per definitie een krenking.

Woeste ontvangst

De getergde ontvangst van die boodschap – een uitwerking van een opiniestuk dat ook in NRC is gepubliceerd – zegt evenveel over de tijdgeest als over het boek zelf. Want erg origineel is Lilla niet. Zijn bezwaren tegen ‘identiteitspolitiek’ zijn al eerder door anderen vrijwel gelijkluidend vertolkt. De postmodern-liberale filosoof Richard Rorty signaleerde in Achieving Our Country (1998) al een fixatie van links op ‘culturele’ kwesties. Hij voorzag de opkomst van fascistoïde rechts-populisme als reactie, en bepleitte een links patriottisme. Dat was toen ook geruchtmakend, maar minder heftig.

De maatschappelijke context is nu dan ook veel radicaler en sterk verdeeld, met de zege van Trump, het nieuwe activisme van zwarte Amerikanen tegen dodelijk politiegeweld, en de opkomst van een openlijk racistisch ‘alt-right’. Dat laatste wil keihard afrekenen met de ‘politieke correctheid’, waar ook Rorty nog een voorstander van was; hij zag die als een manier om de verbale en fysieke wreedheid in de samenleving tegenover vrouwen en minderheden te beteugelen. Maar ook de toon en inhoud van het boek spelen mee in de heftigheid van de reacties. Lilla’s stijl is veel polemischer dan die van Rorty en bij vlagen hautain en venijnig; vooral zijn kritiek op de Black Lives Matter-beweging (‘een schoolvoorbeeld hoe je géén solidariteit bouwt’) heeft kwaad bloed gezet.

Aanstootgevend is ongetwijfeld ook Lilla’s stelling dat linkse identititeitspolitiek op de keper beschouwd een variant is van het hyperindividualisme dat de VS in de jaren tachtig onder de Reagan-jaren beheerste. Voor Reagan was de geest van het kapitalisme zaligmakend, samen met de mythe van de ruige (blanke) pionier; ‘cultureel links’ beroept zich op de viering van identiteitsverschillen als een welkome ondermijning van westers (wit) imperialisme.

Inhoudelijk is er ook wel van alles aan te merken op Lilla’s pamflet. Zijn schets van Roosevelts Amerika, toen de progressieve Droom nog springlevend was, is zo eendimensionaal idyllisch dat het bijna een sprookje wordt of, cynischer, propaganda. Ook zet Lilla de tegenstelling tussen sociale actie en identiteitspolitiek te zwaar aan. Hameren op erkenning en representatie hoort bij emancipatiebewegingen, ook in de strijd om burgerrechten in de jaren zestig. Lilla hekelt de leus ‘Black Lives Matter’, maar het vaak gehoorde weerwoord daarop, ‘All Lives Matter,’ getuigt niet van het universalisme dat hij voorstaat; het is eerder een tactiek om protest tot zwijgen te brengen. Zijn conceptie van een ‘wij’-liberalisme is bovendien zo vaag en niet-verplichtend dat het volgens critici zélf een zelfgenoegzame vorm van identiteitspolitiek is, die activisme en reële verandering uitsluit. Een nieuw ‘wij’ kan niet worden ingevuld zonder maatschappelijke verhouding tot de nieuwe diversiteit van etniciteit en gender. Lilla’s ‘wij’, dat zich puur beroept op een formeel burgerschap, is daarvoor te flets: wie hoort er bij dat ‘wij’, wie bepaalt dat en hoe?

Dat neemt niet weg dat Lilla gelijk heeft door te wijzen op het gevaar van de huidige identiteitspolitiek: het verabsoluteren van verschillen en identiteiten ondermijnt de notie van een algemeen goed of publiek belang; dat wordt afgedaan als een ideologische fictie of leugen. Het resultaat is ‘pseudo-politiek’ die draait om zelfexpressie en herkenning in plaats van engagement en solidariteit. Zulke identiteitspolitiek speelt Trumps chauvinististisch-rechtse variant ervan alleen maar in de kaart.

Lilla vreest terecht dat het idee van Amerika als een nog niet ingeloste, maar inclusieve belofte heeft plaatsgemaakt voor dat van een natie die verpletterd ligt onder zijn erfzonden. Het geloof in de ‘Amerikaanse Droom’ als motor voor sociale mobiliteit en gedeeld burgerschap is diep aangevreten. Alleen, dat komt niet in de eerste plaats door identiteitspolitiek, maar door de sterk toegenomen sociale en economische ongelijkheid en segregatie in de VS. Wat Lilla links verwijt, is dat identiteitspolitiek er het verkeerde antwoord op is, dat die ongelijkheid bestendigt en vooral een hoger opgeleide, professionele bovenlaag ten goede komt.

Dat is een reële zorg. Het essay Between The World and Me van Ta-Nehisi Coates, bejubeld onder activisten en liberals, biedt bijvoorbeeld nauwelijks een opening voor politiek handelen, het is vooral een poging te overleven in een samenleving die droomt dat ze wit is, maar die bestaat dankzij het uitbuiten en vernietigen van zwarte lijven. Het boek, een brief aan Coates’ jonge zoon, is een oefening in waakzame afwachting. Als uitsmijter voorspelt hij wraak van de aarde, waarvan het lijf eveneens wordt geplunderd door de gedroomde ‘witheid’. Dat zal ‘de strop om de nek’ van de aarde aantrekken, en uiteindelijk om die van de dromers zelf.

Tegenover zulke eschatologische fantasie, waarin alle ellende uit één, bijkans metafysische bron komt, klinkt Lilla’s oproep aan links om zich te engageren met het algemeen belang, hoe vaag ook, opeens weer aanlokkelijk.