Recensie

Schrijvend en tekenend het leven ontdekken

Kinderboek

Joke van Leeuwen schreef een nieuw kinderboek met vijftien dagboekachtige verhalen over Deef. Een echte Van Leeuwen, met taalgrappen en gedachtekronkels.

In Toen ik, het nieuwe kinderboek van Joke van Leeuwen, wil Deef zijn vader tekenen, omdat die niet meer bij hem en zijn moeder woont. Als het portret mislukt, krast hij dit gefrustreerd door, waarna het papiermannetje tot leven komt en met typische Van Leeuwen-humor protest aantekent tegen zijn schepper: ‘denk je dat ik het leuk vind met dat kruis over me heen?!’

De spitsvondige wijze waarop Van Leeuwen de verbeelding de werkelijkheid binnenloodst, is een beproefde aanpak van haar om een verhaal te beginnen. Denk aan De metro van Magnus (1980) waarin een jongetje een metrolijn tekent en in zijn fictieve metro wegrijdt. Of Kweenie (2003), over een vogelachtig wezentje dat uit een verhaal op bed van de ik-persoon valt, waarna het tweetal op zoek gaat naar Kweenies ‘thuis-verhaal’.

Met een onbevangen blik

Deefs mislukte vaderportret is echter niet het begin van een rond verhaal. Tegen je verwachting in groeit de bozerik niet uit tot Deefs imaginaire vriendje, maar verdwijnt hij in het niets. Dit kun je jammer vinden, maar het typeert Van Leeuwen, die je graag op het verkeerde been zet. Bovendien veroorlooft de dagboekvorm van Toen ik een zekere vrijblijvendheid: Deef is een karakteristiek Joke-van-Leeuwenkind dat de wereld met een onbevangen blik ‘van onderaf’ beschouwt. Dat de vijftien onthullingen over kleine alledaagse gebeurtenissen die allemaal met het rake ‘toen ik’ beginnen wat willekeurig overkomen, past het fantasierijke jongetje dat al schrijvend en tekenend het leven ontdekt.

Het grootste bezwaar tegen Toen ik is Deefs eenzijdige fascinatie voor de wereld van taal en beeld. Zeker, sommige taalgrapjes en beeldvondsten zijn zeer genietbaar. Ze ontregelen het vanzelfsprekende zoals alleen Van Leeuwen dat kan. Zo concludeert Deef dat zijn moeders ‘nieuwe vriend’ er niet nieuw uitziet met grijs haar. En vindt hij het vreemd dat je wel kan zeggen ‘mijn moeder is afgevallen’, maar niet ‘ik ben opgevallen’, en moet zeggen ‘aangekomen’, ook al ben je ‘niet weggeweest’. Minder origineel zijn Deefs observaties over tijd. En in zijn gedachtekronkels over het spanningsveld tussen ‘gewoon’ en ‘bijzonder’ klinkt Van Leeuwens volwassen stem te veel door.

Eerst licht

Het meest ontroerend nog zijn de passages waaruit subtiel blijkt hoe Deef met de scheiding van zijn ouders worstelt. De opmerking dat het in hemzelf eerst licht moet worden voordat hij aan een tekening kan beginnen – net zoals zijn dag pas begint als het licht wordt –, is pijnlijk alleszeggend. Het toont wat Van Leeuwen vermag wanneer ze haar taal- en beeldfascinatie in dienst van haar protagonist stelt. In Toen ik doet ze het helaas te vaak andersom. Soms weet Van Leeuwen Deef succesvol los te weken van het papier, maar zodra hij tot leven komt, trekt hij zich snel weer terug uit je hoofd. Eigenlijk precies zoals Deefs getekende mannetje uit het openingshoofdstuk.