Opinie

Meer geld en docenten? Universiteiten moeten ook bij zichzelf te rade gaan

Universiteiten kozen er zelf voor om bedrijven te worden die elkaar beconcurreren op studentenaantallen, schrijft . „Zo holden ze hun eigen financiering uit.”

De academische gemeenschap moet zich onder Rutte III verzetten tegen de onderschikking van de wetenschap aan de kenniseconomie, betoogden twee hoogleraren, een promovendus en een universiteitsdocent op deze pagina (18/10). Onder wie professor Rens Bod, tevens initiatiefnemer van de petitie ‘Meer geld naar wetenschappelijk onderwijs’ (tot nu toe 3.680 handtekeningen).

De werkdruk op universiteiten is enorm en de universiteit als kritische vrijplaats staat onder druk door gebrekkige financiering, vindt het viertal, dat inmiddels ondersteund wordt door vele universiteitsbesturen. Goed dat zij zich verenigen voor de toekomst van universiteit en personeel. Toch heeft het iets wrangs. Veel van hun problemen worden namelijk juist door kortzichtige universiteitsbesturen veroorzaakt.

Op Nederlandse universiteiten zitten honderdduizend meer studenten dan twee decennia geleden. Mooi, maar de financiering bleef achter. Die is per student met ruim een kwart gedaald tot 14.000 euro. Veel te laag om genoeg personeel in dienst te nemen. De gevolgen zijn duidelijk te zien bij de universiteit waar ik studeer. In twaalf jaar tijd kwamen er in Groningen tienduizend studenten bij. Helaas was er slechts geld voor vijftig extra docenten. Vijftig! Zie hier de oorzaak van de enorme werkdruk en de massaliteit van het huidige hoger onderwijs. Het is dus belangrijk om te onderzoeken waar deze daling vandaan komt.

Doorgeschoten werving

Het bekostigingsmodel van universiteiten zit zo in elkaar dat zij meer geld krijgen wanneer zij meer studenten hebben. Een hoger marktaandeel betekent dus een hogere financiering en – niet onbelangrijk – een lager marktaandeel een lagere financiering. Dit heeft een enorme concurrentie ontketend tussen universiteiten op de ‘markt’ voor studenten. Zo proberen universiteiten elkaars masterstudenten af te troggelen met gerichte reclamecampagnes in elkaars steden. Niet voor niets werd de term ‘samenwerkende’ verwijderd uit de naam van de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten (VSNU).

Omdat de bestaande markt voor knappe koppen beperkt is, hebben universiteiten gezocht naar manieren om die markt te vergroten. Ze vonden twee nieuwe groepen studenten. Ten eerste hebben universiteiten massaal ingezet op het aantrekken van buitenlandse studenten. Als gevolg van actief wervingsbeleid studeren er tegenwoordig veertigduizend buitenlandse studenten op Nederlandse universiteiten. Vier keer zoveel als dat er Nederlandse studenten aan buitenlandse universiteiten studeren.

Onderwaardering hogeschool

Ten tweede draagt de universitaire concurrentiestrijd bij aan de onderwaardering van beroepsonderwijs in Nederland. Universiteiten concurreren niet alleen onderling maar ook met hogescholen om scholieren met een vwo-diploma. Daarom hebben universiteiten met enorme marketingbudgetten campagnes opgezet om de doorstroom naar de universiteit te verbeteren.

Alle universiteiten hebben tegenwoordig samenwerkingsverbanden met middelbare scholen en zelfs basisschoolkinderen worden niet langer ontzien. Wetenschappers zijn steeds vaker in schoolklassen te vinden of die klassen worden op de universiteit uitgenodigd voor colleges van Ben Feringa. Niet alleen het studeren in een bepaalde stad wordt hiermee gepromoot, ook het studeren an sich. Dit heeft tot gevolg dat veel jongeren voor de universiteit hebben gekozen terwijl zij beter op hun plek waren geweest op een hbo. Waar in 2002 nog acht van de tien jongeren van het vwo naar de universiteit ging is dat nu negen op de tien.

Bekostigingsmodel aanpassen

Naast de extra studenten die voortkomen uit demografische groei zijn er dus veel studenten bijgekomen door de concurrentiestrijd tussen universiteiten. En hier zit het probleem. Hoewel de financiering vanuit Den Haag nog steeds ontoereikend is, is zij wel degelijk gegroeid. Uit cijfers van de VSNU blijkt dat zestigduizend extra studenten een gezond aantal was geweest: de financiering per student zou gelijk zijn gebleven. Die laatste veertigduizend studenten doen de financiering per student dalen. Het is aannemelijk dat veel van hen zonder de universitaire concurrentiestrijd niet op de universiteit zou hebben gezeten. In hun wedloop om studenten hebben universiteiten hun eigen financiering uitgehold.

Het ministerie moet dus zeker haar bekostigingsmodel aanpassen. Universiteitsbestuurders mogen niet in de verleiding komen om zoveel extra studenten aan te trekken. Maar de schuld ligt niet geheel bij het ministerie. Universiteitsbesturen hadden door samen te werken veel verstandiger met de bekostiging kunnen omspringen. Zij hadden de wedloop kunnen voorkomen door goede afspraken te maken om gericht te groeien. Niet alleen zou de financiering per student stukken beter zijn: met de vrijgekomen marketingbudgetten hadden honderden extra docenten aangesteld kunnen worden. In plaats daarvan kozen universiteiten er voor om bedrijven te worden die tot op de dag van vandaag elkaar beconcurreren op studentenaantallen. Met kwaliteitsdaling en werkdruk tot gevolg.

Dus, wetenschappers in den lande, verenigt u ook tegen uw kortzichtige besturen. Opdat zij serieus met elkaar gaan samenwerken.