Recensie

Kijk ons eens even gezellig de bakens verzetten

Tachtigers

Proza en poëzie zouden dankzij de Tachtigers nooit meer hetzelfde zijn. Smakelijk portretteert biograaf Bart Slijper hun woelige samenwerking.

Willem Kloos, Pet Tideman en Hein Boeken in het atelier van Willem Witsen, 1892 Foto Willem Witsen

De Tachtigers mogen zich verheugen in hernieuwde belangstelling. In 2012 verscheen Bart Slijpers Dit gevreesd gemis, een Willem Kloos-biografie, toegespitst op de intense vriendschappen van de hoofdpersoon met zijn jongere dichtbroeders Jacques Perk (1859-1881) en Albert Verwey (1865-1937). Eerder dit jaar kwam O God, waarom schijnt de zon nog! uit, een tweede Kloos-biografie door Peter Janzen en Frans Oerlemans, begeleid door een heruitgave van Kloos’ geruchtmakende eerste bundel Verzen (1894).

Nu al weer gevolgd door Hemelbestormers. De revolutie van de Tachtigers, opnieuw van Bart Slijper. Ik sloeg het aarzelend open. Men kan zich ook overeten aan de tafel der Tachtigers. Slijpers biografie van Kloos (1859-1938) uit 2012 is daarbij nogal larmoyant, met herhaalde uitroepen als ‘Och, arme Willem’ als Kloos weer eens tegen een delier aanloopt. Bovendien ligt bij Slijper het woord ‘revolutie’ vooraan in de mond als het gaat om de Tachtigers en hun in 1885 opgerichte tijdschrift De Nieuwe Gids. De eerste vijf jaar werd er door de gevestigde, literaire orde echter nogal lauwtjes op het blad gereageerd, pas halverwege de jaren 1890 begon men te begrijpen dat de bakens in de letteren waren verzet. Niet langer kunst en literatuur ten dienste van natie, beschaving en zielenadel, maar individuele expressie van een nieuwe generatie autonome kunstenaars.

Hemelbestormers. De revolutie van de Tachtigers. Ik blader er even in, op zoek naar een appetizer. Vind foto’s van de reusachtige Wereldtentoonstelling van 1883 in Amsterdam. Slijper citeert uit een brief aan Tachtiger Albert Verwey, van een vriend die de expo bezocht. Hij heeft het over een machine die ‘allernetste’ enveloppen maakt van lompenpap, een andere die uit koperdraad even nette spelden fabriceert: ‘Maar nu komt het meest krasse nog. Niet alleen is er een machine, waarin aan de ene zijde een gehele os in gaat en er aan de andere kant als biefstuk, gehakt, schootsvellen, laarzen, haren tapijten, enzovoort uitkomt, maar ook een, waar oude tapijten, laarzen, schootsvellen, enzovoort ingaan en er aan de andere zijde als een levende os weer uitkomen.’ Geestig, leuk.

Ik krijg trek in Slijpers Hemelbestormers, en na een tiental bladzijden is het zelfs schrokken geblazen: wat een smakelijk boek! Het is de biografie van een hecht netwerk van jonge dichters (Kloos, Verwey, Gorter) schrijvers/critici (Van Eeden, Van Deyssel) en schilders (Witsen, Breitner, Veth) – ik noem niet alle namen. Ze zitten met elkaar in de kroeg, logeren bij elkaar, de een helpt de ander bij geldnood, ze bespreken hun dicht- of prozawerk (en niet altijd even mals). Slijper spreekt in zijn nawoord van een ‘intensieve, dagelijkse samenwerking’: die ‘gaf hun de stuwkracht en het onbegrensde zelfvertrouwen om tegen muren van vooroordelen en onbegrip op te tornen.’

Dit laatste mag wat zwart-wit klinken, Slijper schrijft intussen opvallend genuanceerd over auteurs als Nicolaas Beets en J.J.L. ten Kate, de coryfeeën van de oude garde waar de Tachtigers ongenadig op los gingen. Hemelbestormers getuigt toch al van contextuele belangstelling en een brede blik. Opmerkelijk ook is de afdeling ‘De wereld van de sport’, waarin we de stakerige Kloos tot de enkels in Noordzeewater terugvinden en Van Deyssel op zwemles in de Bad- en Zweminrichting in de Amstel. Slijper geeft er een onvergetelijk citaat van laatstgenoemde bij: ‘Het voor-gevoelen van dat er iets sterk náárs komt […] het weten-van-wát-ook-weêr: de zwemles, de zwemles om te gieren, van hihaho, staal-licht, van moet.’ Eindigend met: ‘ik ik niet meer’.

De echte sportman uit het netwerk van Tachtig is ongetwijfeld dichter Herman Gorter. Zwemmen, cricket, voetbal, tennis, hardlopen. De schaaksport werd wel weer door veel Tachtigers beoefend. Was Van Deyssel daar dan goed in? Slijper: ‘Hij merkte soms achteraf dat hij zomaar een goede zet had gedaan.’

Ik had het over het hechte netwerk der Tachtigers. ‘Zoveel onderlinge betrokkenheid,’ schrijft Slijper, ‘dat moest wel misgaan.’ Ruzies, drank, of gewoon de wegen die scheidden: het netwerk blies zichzelf op. Maar de winst was overweldigend, zegt Bart Slijper in een fraaie conclusie: ‘Vanaf de jaren tachtig van de negentiende eeuw zijn proza en poëzie niet meer normbevestigend, maar voornamelijk ontregelend.’