Hoe we de insecten kunnen redden – met meer bloemen en minder kunstmest

Ecologie

De hoeveelheid insecten is de afgelopen decennia gigantisch afgenomen, zo leert een geruchtmakend onderzoek. Hoe komt het eigenlijk dat insecten massaal verdwijnen? En zijn ze nog te redden? (ja!)

Insecten die worden bewaard in alcohol. De diertjes zijn in Duitse natuurgebieden gevangen met speciale vallen. De onderzoekers hebben gekeken naar hun totale gewicht, de biomassa, om te zien met hoeveel minder ze zijn dan enkele decennia geleden. Entomological Society Krefeld

De insecten verdwijnen! Ecologen uit Nijmegen en Krefeld zijn op een verontrustende afname gestuit. Ze publiceerden er vorige week over, in PLOS One. Ze hadden onderzoek gedaan in 63 natuurgebieden in Duitsland. In 2016 bleek er nog maar een kwart van de insecten rond te vliegen vergeleken met 27 jaar eerder. Waardoor het kwam was niet duidelijk. Maar intensivering van de landbouw noemden ze „een plausibele oorzaak”. Meteen volgde kritiek uit de Duitse landbouwhoek. Het was een gebrekkige studie. De conclusies overdreven. De beschuldigingen ongefundeerd.

Hoe zit het? Een poging om antwoord te geven op vijf vragen – waarvoor is gesproken met even zoveel deskundigen. Over één ding zijn ze het allemaal eens. Is natuur ons lief, dan zal de intensieve landbouw drastisch moeten veranderen.

1. Hoe goed is de studie eigenlijk?

„Het is een doorwrochte studie. Wat ze hebben gedaan is vrij uniek”, zegt David Kleijn, hoogleraar Plantenecologie en Natuurbehoud aan de Wageningen Universiteit. Meestal, zegt Kleijn, wordt gekeken naar de rijkdom aan soorten, de biodiversiteit. Hoe ontwikkelt die zich? „Maar het verdwijnen van een of meerdere soorten hoeft nog niet te betekenen dat er in totaal minder insecten zijn.”

Dat is waar de onderzoekers nu naar hebben gekeken: de biomassa, het gewicht van, met speciale vallen gevangen, vliegende insecten. Trends daarin zeggen iets over de hoeveelheid bulkvoedsel die beschikbaar is voor vogels, vleermuizen, kikkers. Die trend blijkt dus neerwaarts. En stevig ook. Kleijn: „Dit was een belangrijk, nog ontbrekend stukje van de puzzel.”

De belangrijkste kritiek die Kleijn heeft is dat de onderzoekers door de jaren heen vaak in afwisselende natuurgebieden hebben gemeten. De vraag is of je die zomaar met elkaar kunt vergelijken? Mag je die dalende trend erop baseren? Van de 63 onderzochte stukken natuur is er in die 27 jaar op 37 locaties niet vaker dan één keer gemeten (één keer wil zeggen: in één bepaald jaar, en meestal werd er dan over een periode van 5 tot 7 maanden gemonsterd). In de overige 26 gebieden is minstens twee keer gemeten – in zes ervan drie of vier keer.

Caspar Hallmann, eerste auteur van de publicatie, zegt dat het bewust zo is gedaan. „Als je jaar in jaar uit zoveel maanden in hetzelfde gebied insecten vangt, kan er sprake zijn van disruptive sampling. Het vangen zelf kan de populaties negatief beïnvloeden.” Hij voegt eraan toe dat de dalende trend in de 26 gebieden waar twee, drie of vier keer is gemeten, overeenkomt met die in alle 63 gebieden.

Dat laatste is waarom Teja Tscharntke het „een belangrijk onderzoek” noemt. Hij is hoogleraar Landbouwecologie aan de Georg-August-Universität in Göttingen. De kritiek dat de onderzochte gebieden niet representatief zouden zijn voor de rest van Duitsland, of Europa, vindt hij onterecht. Veel natuurreservaten zijn tegenwoordig zo: beperkt in omvang, versnipperd, en omgeven door akkers. „Het onderzoek laat duidelijk zien dat natuurgebieden niet geïsoleerd zijn van hun omgeving.”

2. Hoe zit het in andere gebieden in de wereld?

Het meeste onderzoek naar de toestand van insecten richt zich op de inventarisatie van soorten. Die is een stuk gebrekkiger dan bij gewervelden, zo blijkt uit een overzichtsartikel drie jaar geleden in Science. Van de ruim een miljoen bekende soorten insecten is minder dan 1 procent beoordeeld voor de rode lijst van bedreigde soorten van het IUCN – en van die 1 procent blijkt tweevijfde bedreigd. Het past in de algehele, al langer voortschrijdende afname van de biodiversiteit. Het wordt de zesde uitstervingsgolf genoemd, en de mens is er de oorzaak van.

In Nederlands grasland lijken er te weinig insecten te zijn voor de kuikens van de grutto

Van de insecten zijn vlinders, libellen en bijen het best onderzocht, zegt Koos Biesmeijer, wetenschappelijk directeur van het Naturalis Biodiversity Center en hoogleraar Natuurlijk Kapitaal aan de Universiteit Leiden. „Voor vliegen en muggen vind je niet zo makkelijk vrijwilligers die elk weekend erop uit willen voor tellingen.”

Tent met insectenval in Duits natuurgebied. Entomological Society Krefeld

Onderzoek naar het vóórkomen van hoeveelheden individuen (de abundantie) is volgens Biesmeijer helemaal zeldzaam. Omdat het bewerkelijker en duurder is – je hebt bijvoorbeeld veel vallen nodig, soms met alcohol. David Kleijn uit Wageningen schampert dat er voor dit type, lange-termijn monitoring amper financiering is te krijgen. „Onderzoek moet nieuw zijn hè.”

Toch is er hier en daar naar gekeken. In 2006 verscheen een onderzoek naar motten in Groot-Brittannië. Er waren 337 soorten gemonitord, over een periode van 35 jaar. Het aantal gevangen individuen liep in die tijd met 30 procent terug. Met name in het zuiden van het land was de daling sterk. De onderzoekers koppelden het aan de snelle intensivering van de land- en bosbouw daar.

Biesmeijer zelf doet veel onderzoek aan bestuivers, met name (wilde) bijen. Ook daarvan zijn afnames in hoeveelheden beschreven. In de VS en Europa nam tussen 1985 en 2005 het aantal bijenkolonies met 25-50 procent af.

3. Wat betekent deze afname voor ecosystemen?

„Insecten zijn een cruciaal onderdeel van ecosystemen, met name op land”, zegt Timothy Schowalter, hoogleraar Entomologie aan het Louisiana State University Agricultural Center, en auteur van het tekstboek Insect Entomology. En dat is niet alleen, zegt hij, omdat ze voedsel zijn voor vogels, vleermuizen en wat niet allemaal. „Door hun enorme soortenrijkdom bezetten ze allerlei niches.” Er zijn planteneters, vleeseters, afvalverwerkers. Planteneters bijvoorbeeld zorgen voor een regen aan stukjes blad en houtmolm, wat een voedselbron is voor bodemorganismen – deels ook insecten. De verdere afbraak tot nutriënten als stikstof, fosfor, koolstof, is een cruciaal onderdeel in het grote circuleren van voedingsstoffen. „En dat maakt leven mogelijk”, zegt Schowalter.

Hij mailt een aantal publicaties. Eentje gaat over een langlopende veldstudie in stukken grasland in Minnesota. Elk stuk heeft een andere hoeveelheid plantensoorten, oplopend van een paar tot zo’n twintig. Hoe meer soorten, hoe beter het stuk grasland bestand bleek tegen een ernstige droogte die het gebied trof in 1987. Het ondersteunt de insurance hypothesis: hoe meer soorten, hoe beter een ecosysteem is verzekerd tegen veranderingen en lastige omstandigheden. Maar gaat het voor alle ecosystemen op? Het is een van de grote vragen van de ecologie, zegt Schowalter: „Gaat het altijd om de soorten an sich, of meer om een bepaalde set aan functies die nodig is.”

Bijen zijn een belangrijk slachtoffer in de insectensterfte. iStock

Maar dat gaat weer over soorten. Hoe zit het met biomassa, waarover de publicatie vorige week ging? David Kleijn uit Wageningen zegt dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat bijvoorbeeld de grutto het in Nederlandse graslanden lastig heeft omdat er te weinig insecten zijn voor de kuikens.

Een insectentekort is een voor de hand liggende oorzaak van de achteruitgang van veel meer boerenlandvogels – spreeuw, gele kwikstaart, veldleeuwerik, boerenzwaluw. En ook van vleermuizen. Maar direct bewijs is lastig te vinden, zegt Kleijn. „Het is bijna onmogelijk te onderzoeken. Hoe hou je exact bij wat een vogelpopulatie door de jaren heen aan eten binnen krijgt?”

4. Is het erg, en voor wie?

Voor de natuur zelf, want die verarmt en verzwakt door een afname aan soorten en biomassa. Maar voor de mens? „Vaak wordt hier het bestuivers-argument in stelling gebracht”, zegt Koos Biesmeijer uit Leiden. De gedomesticeerde honingbij en allerlei andere in het wild levende insecten (vlinders hommels, zweefvliegen, kevers) zorgen voor de bestuiving van driekwart van alle door de mens verbouwde gewassen. Het gaat vooral om fruit- en nootgewassen – juist grote gewassen als tarwe, rijst en maïs zijn windbestuivers. Toch vertegenwoordigen de door insecten bestoven gewassen nog steeds een waarde van honderden miljarden euro’s per jaar, stelt de VN in een vorig jaar verschenen rapport, waaraan Biesmeijer meewerkte.

Tscharntke uit Göttingen noemt ook nog de functie van plaagbestrijder. Op akkers wordt de voor gewassen schadelijke bladluis in toom gehouden door andere insecten (kevers, galmuggen) in de omgeving. In een van zijn onderzoeken laat hij een samenhang zien tussen een groeiende opbrengst per hectare aan tarwe, een afname aan die nuttige plaagbestrijders, en een toename aan bladluis. De belangrijkste factor van invloed blijkt het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Veel Europese natuur-arealen zijn als die in Duitsland: niet erg groot, versnipperd, en omgeven door akkers.

Kleijn uit Wageningen zegt dat hij „er moe van wordt” om altijd eerst economische argumenten aan te moeten dragen. „Het is een hellend vlak. Want dan komt de vraag: hebben we echt al die bestuivers nodig? Hoe erg is het als er een paar soorten verdwijnen?” Kleijn vindt dat de mens een morele verplichting heeft om voor de natuur te zorgen. Punt uit. „Of moorden we alles wat geen direct nut voor ons heeft gewoon uit?” Ook Tscharntke vindt dat: „We beschermen toch ook de Kölner Dom?”

5. Is er iets aan te doen?

„Absoluut”, zegt Geert de Snoo, hoogleraar Natuurbeheer aan de Universiteit Leiden. „En het gebeurt ook al.” Het areaal bos- en natuurgebied in Nederland neemt sinds 1990 weer toe, na eeuwenlange achteruitgang. Natuurgebieden worden weer met elkaar verbonden. De daling van het aantal planten- en diersoorten gaat sinds de jaren 90 minder snel, en is in sommige gevallen gekeerd.

De Snoo: „Maar in het boerenlandschap blijft het slecht gaan.” En omdat iets meer dan de helft van Nederland uit landbouwgrond bestaat, heeft dat ook invloed op de rest van de natuur.

Dat concludeerde vorig jaar ook het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in het rapport Balans van de Leefomgeving: „..de milieudruk op natuur blijft – in hoofdzaak door toedoen van de huidige manier van landbouw bedrijven – te groot”. De huidige manier is: de intensieve manier.

De Snoo: „Elk jaar moet de productie weer hoger. Daar kunnen we trots op zijn, maar het heeft ook een schaduwkant.” De overmaat aan stikstof, die via (kunst)mest vanuit de akker in omliggende gebieden terecht komt, is weliswaar afgenomen, maar onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Het ontbreekt aan brede akkerranden met een variatie aan bloeiende planten, waar een variatie aan insecten voedsel kan vinden.

Alle geïnterviewden zijn het erover eens: de intensieve landbouw zal om moeten. Natuurlijke plaagbestrijders in plaats van bestrijdingsmiddelen, een natuurlijke manier om de bodem vruchtbaar te houden (bijvoorbeeld met klaver) en geen kunstmest, natuurlijke bestuiving door wilde bijen. „En meer ruimte voor natuur op de akkers”, zegt De Snoo.