Interview

‘Heb ik toch maar mooi gehaald, de 41’

Remy Bonjasky,

Dit weekend keert Remy Bonjasky (41) terug in de ring. Een gesprek over imago, ouder worden en zijn kinderen. „Je hoeft geen mafkees te zijn.”

Remy Bonjasky: „Ik vind mezelf zeker wel een goed bedrag waard, ja.” Foto Merlijn Doomernik / Hollandse Hoogte

Hij heeft zijn zoon voorbereid op wat er zondag gaat gebeuren. Cassius Bonjasky, dertien, zal vooraan zitten. Hij zal de zweetdruppels op het hoofd van zijn vader kunnen tellen. Hij zal zien hoe zijn vader iemand anders zo goed en raak mogelijk probeert te slaan en schoppen – en andersom. Misschien dat hij één van hen naar de grond ziet gaan, even niet ziet opstaan. Remy Bonjasky vindt dat Cassius nu oud genoeg is om voor het eerst bij een gevecht van zijn vader te zijn.

Cassius en zijn andere zoon Dean (8) (tweede naam Clay) – Bonjasky heeft ook nog een dochtertje, Skye van één – vinden het kickboksen zelf ook leuk, doen het zelf ook af en toe. Kunnen ook best aardig stoten en trappen allebei, vertelt hun vader. Dean is nog te jong om er live bij te zijn, maar beide zoons kijken al langer naar de gevechten van hun vader op YouTube, soms met hem erbij. Hij hoefde ze niet te leren hoe ze moesten kijken naar wat ze zagen; ze weten hoe hij is buiten de ring: relaxed, heel normaal. Hij laat ze de partijen zien die hij won, maar ook die hij verloor, partijen waarin hij soms knock-out ging. Belangrijk, vindt hij. Kan hij ze meteen aankijken daarna: kijk jongens, ik ben er nog, ik ben nog gezond.

Maar dat is in het echt lastiger, vandaar ook dat zondag de eerste keer wordt voor één van zijn kinderen. Want als je verliest, kan het er soms eng uitzien. Leg dat maar eens uit aan een klein kind. Getraumatiseerd is misschien een groot woord, zegt hij, maar ze hebben dan wel beelden gezien dat hun vader – bam – neergaat.

Maar dan moet je nu opeens uitleggen waarom papa bij zijn tegenstander Melvin Manhoef net als in een van hun vorige gevechten een tand bij hem uit zijn mond wil slaan.

Bonjasky begint te lachen. „Dan zeg je: kijk, we zijn professionals. Ik wil niet dat Melvin blijvend letsel heeft. Die tand is grappig, dat is leuk, kunnen we met z’n allen om lachen. Ik hoef niet per se zijn kaak kapot te slaan. Tuurlijk wil ik liever dat hij neergaat dan dat hij blijft staan, maar hij moet wel weer binnen een minuut opstaan. Ik wil wel dat hij als sporter, en als mens, normaal over straat kan.”

Eigenlijk zou Cassius, net als broertje Dean Clay vernoemd naar de grootste bokser aller tijden, zijn vader nooit een echte wedstrijd hebben moeten zien vechten. Drievoudig kampioen in de K-1 World Grand Prix Bonjasky was immers al gestopt met kickboksen, twee keer zelfs. Eerst in 2010, daarna in 2014. Drie maanden geleden besloot hij wederom terug te keren voor het afscheidsgevecht van Manhoef in Almere in het kader van de door hem opgerichte World Fighting League. Twee in Paramaribo geboren topvechters, beiden 41, de één stopt ermee, de ander begint weer.

We zitten in het kantoor van de Bonjasky Academy, de kickboksschool die hij in 2010 begon, drie dagen voor het gevecht. „Let niet op de troep”, zegt hij, wijzend op twee rijen dozen met T-shirts met zijn naam erop die onder de ramen staan die uitkijken op een zaal vol bokszakken. Ze zitten nog niet lang op deze plek, een modern gebouw met hoge ramen op een industrieterrein tien minuten lopen vanaf station Almere-Centrum. „Of mensen wel zitten te wachten op een gevecht tussen twee oudjes? Nou blijkbaar, ha! Jij zit hier nu. Hoe oud denk je dat Floyd Mayweather is? Precies. Ik had het vroeger ook leuk gevonden als Muhammad Ali tegen Mike Tyson had kunnen vechten.”

Het afgelopen jaar werd Bonjasky vier keer uitgedaagd: eerst door Rico Verhoeven, daarna Gökhan Saki, Ismael Lazaar en toen Manhoef. „Ik heb elke keer gezegd: als jullie er klaar voor zijn, trek ik zo mijn handschoenen weer aan.”

Dat hóéf je niet te zeggen. Laat je je makkelijk uitdagen?

„Laat ik het zo zeggen: ik doe niet graag een stap terug. Op een gegeven moment merk je dat het lichaam piept en kraakt, dat doet het al een beetje. Verwacht niet dat ik er op mijn vijftigste nog sta.”

Ze denken nu: ik lok hem op zijn 41ste nog uit de tent, over drie jaar proberen we het weer. Je bent er gevoelig voor.

„Ja, het is een beetje een vechtersding.”

Is het alleen dat? Of is het ook mensen laten weten: ik ben na mijn carrière andere dingen gaan doen, maar ik doe er nog toe als vechter?

„Ik begrijp wat je bedoelt. Wat wel zo is: we hebben in Nederland vier meervoudig kickbokskampioenen rondlopen met Sem Schilt, Peter Aerts en Ernesto Hoost. Het is jammer dat je van hen weinig ziet in de publiciteit. Ze zijn ambassadeur voor de sport, misschien zou af en toe een rolletje in een programma kunnen helpen. Daar moet je de persoonlijkheid voor zijn, maar het gaat wel een beetje om de K-1-historie hooghouden.”

Bonjasky werd geboren in Suriname, maar groeide op in de Amsterdamse Bijlmer. Hij kon aardig volleyballen, badmintonnen ook, maar vooral voetballen. Hij was een verdediger waar je met of zonder bal niet makkelijk langsging. Hij haalde ooit de laatste schifting van een talentendag bij Ajax, toen Louis van Gaal er nog jeugdtrainer was. Toen hij op latere leeftijd zijn linkerbeen brak – „zo agressief, dat voetbal” – was het klaar.

Jean-Claude van Damme in de film Bloodsport – „dat vond ik zó nep!” – zorgde ervoor dat hij een keer meeging naar een kickboksschool. Hij bleef er terugkomen. Twintig jaar, bijna honderd gevechten en drie prestigieuze titels later doet hij dat weer. „Het gevoel dat je hebt als je naar de ring loopt, dat is niet te beschrijven. Hoe zou je uitleggen hoe het voelt om op de middenstip van Camp Nou te staan, terwijl iedereen je naam roept?”

Een van de drie eerdere gevechten tussen Bonjasky en Manhoef, in Amsterdam in 2008:

Heb je moeite met ouder worden?

„Nee, nee. Ik denk altijd: ik heb het toch mooi gehaald, 41. Niet alleen als vechter, als mens: ik heb het gezond gehaald. Als je kijkt wat er met sommigen om je heen is gebeurd. Dat is moeilijk om te zien.”

Maar het schrikt dus niet genoeg af?

„Nee, want wat er bij mij piept en kraakt, komt doordat ik twintig jaar in de sport heb gezeten. Ben een keer geopereerd aan mijn knie, die doet af en toe zeer. Mijn meniscus is een keer bijgeschaafd, idem. Beide achillespezen trekken inmiddels als ik ze te zwaar belast.”

Bonjasky is tijdens zijn carrière en nadat hij ermee stopte nooit uit de publiciteit gebleven. Hij deed mee aan tv-programma’s als Sterren Dansen op het IJs, Expeditie Robinson, Ranking the Stars. Andere vechters zouden zich er niet voor lenen, dat weet hij ook. Hij noemt zich ook een buitenbeentje, misschien ook wel te lief. Daardoor hebben sommigen weleens gezegd dat hij niet de sport thuishoort. Hij is rustig, beleefd, dat zal hij van zijn moeder hebben. Maar hij is ook bewust bezig met zijn imago. Komt hij weer eens op een feestje waar iemand vraagt wat hij doet en als hij daar dan antwoord op geeft meteen grappend zegt: o, niet slaan hoor. „Al die stereotiepe gedachten…ik vind het belangrijk het tegenovergestelde te bewijzen. Met die tv-programma’s pak ik dat, vind ik, slim aan. Nu denkt de kassamevrouw die ook naar vechtsport kijkt: hee, normale jongen.

Ben je het bewust gaan benadrukken?

„Ja, ik wil aan de jonge jongens en meisjes laten zien én hun ouders: je hoeft geen mafkees te zijn, wil je die ring in gaan. En ja, soms moet ik dan overcompenseren, omdat mensen op een bepaalde manier denken. Extra mijn best doen: jongens, je kunt normaal met me praten, het hoeft niet over vechten te gaan.”

Worstel je met dat beeld?

„Dat niet zozeer, maar ik probeer mensen wel bewust te maken. Ik ben een heel normale jongen, die ook bloedt wanneer het moet en ja, ook jankt als het nodig is.”

In zijn kickboksschool wil Bonjasky jonge leerlingen meegeven dat ze niet aan stereotiep beeld van een vechtsporter hoeven te voldoen. Niet alleen maar leren stoten en schoppen, maar ook weten hoe respect te tonen, welke verantwoordelijkheden ze hebben, op tijd te komen. Dat is bij kinderen nog gemakkelijk, zegt hij, want die kun je nog vormen.

Los daarvan hoopt hij dat er weer meer talenten zich zullen aandienen. Hij zegt, naast het geld – „ik vind mezelf zeker weten wel een goed bedrag waard, ja, na al die tijd te hebben stilgestaan” – de kans om via de World Fighting League te helpen talenten aan de top te krijgen erg positief. En nodig, want hoewel er meer recreanten het kickboksen hebben gevonden, is de Nederlandse top dun. „In de K-1-toernooien van vroeger was het niet de vraag óf een Nederlander ging winnen, maar wélke. Dat is niet meer zo. Ik wil eraan meewerken dat te veranderen.”

Ja, hij kickt wel op aandacht, dat geeft hij eerlijk toe. Het is niet eens zozeer dat hij steeds maar wil laten weten dat hij er nog is, of wat hij als kickbokser heeft gedaan, maar hij vindt dat de waardering daarvoor – ook in het geval van de andere drie meervoudig K-1-kampioenen soms ontbreekt. „Soms roepen mensen: kun jij wel tegen Melvin of Rico vechten? Dan denk ik: kijk eens op YouTube, joh.

Straks zeggen ze: o, vecht jij? Er groeit een generatie op die jou in andere dingen ziet dan de ring.

„Geloof me, dat is nu al zo. ‘Hee, jij deed toch mee aan Robinson? Dan denk ik: ah, daar kent-ie me van.” Hij lacht.

Vind je dat erg?

„Nee, niet. Maar het is wel leuk als ze weten wat ik nog meer gedaan heb. Maar het moet niet zo zijn dat ik om de zoveel jaar terug blijf komen om te laten zien dat ik ook een beetje kon vechten.”