Column

Glamour

Een ex-manager van mij, die toen ik hem ontmoette eigenlijk voetbalmakelaar was en die mij ook, zo nu en dan, tussen de vele playbackoptredens op braderieën of dorpsfeesten waar hij mij dagelijks naartoe sleurde door, naar voetbalwedstrijden reed, om me daar voor te stellen aan luid geparfumeerde mensen die ik mij achteraf als zijnde één mens herinner, een zachtroze man met een vetglans die zijn haar tot gevaarlijke stekels boetseerde met gel of gelspray, die diamanthard opdroogde, uit een spuitflacon, of van die gele of blauwe klodders uit zo’n doorzichtige pot of misschien iets van een bouwmarkt, daar wil ik vanaf wezen, die man die altijd zichtbaar baalde en zachtjes zweet sproeide als hij een tankstation gemist had omdat hij er wel een worstenbroodje had willen kopen, of een saucijzenbroodje, of een gehaktstaaf, een kroket of frikandel, omdat hij dat broodje, en/of de cilinder samengeperst restvlees pratend, uitweidend, over zijn seksuele escapades op had willen eten terwijl hij kruimelde en/of druppelde over zijn buik en de kruimels en/of vetvlekken zachtjes in zijn glimmende blouse gemasseerd werden door het stuur van zijn Mercedes dat hij met één hand bediende, díé man heeft mij in een donkere feestschuur eens een champagnefles ter grootte van een lilliputter in de armen geduwd.

Moest ik mee op de foto.

Overigens, maar dit geheel terzijde: Is dit nou het leven, hier, waar ik nu sta, is dit het nou?

„Die foto is voor… Nou ja, lang verhaal. Effe lachen!” En dat deed ik. Ik zwiepte mijn extensions nog eens naar achter en lachte de minst benevelde lach die ik voorhanden had. U weet wel, die lach die zegt: ‘sterven zou misschien niet zo’n ambitieus plan lijken als ik gewoon in staat zou zijn mijn eigen achternaam zonder nadenken en spelfouten neer te pennen, er niet net driehonderd hitsige puberjongens hun natte tienerangstzweetoksels over mijn blote schouder hadden laten glijden voor een foto en een hand op mijn bil, en ik het simpele taakje van minstens eens per twee weken de afwas wegwerken zou kunnen volbrengen zonder door levensangst bevangen ter aarde te storten tussen duizenden faxen, dwangbevelen, pizzadozen en korreltjes door de kat uit de omgevallen plantenbak geschepte aarde en overigens, maar dit geheel terzijde: Is dit nou het leven, hier, waar ik nu sta, is dit het nou? Waar ben ik eigenlijk? En wie is ‘ik’ dan helemaal in dit hele verhaal? En waarom? Geef me een dubbele wodka of een touw. Of beide.’

Op een paar vragen kreeg ik eigenlijk direct antwoord van de kosmos. Zo vriendelijk. Ik was een vehikel om geld mee te verdienen en was met dat doel door een hogere macht in deze schuur neergezet met die fles in mijn armen. Ook stond ik mensen blij te maken. Onbedoeld erg nobel van mij. De fles werd daarna als een baby teruggebracht naar mensen die het hele tafereel van een afstandje hadden aanschouwd en ze lachten rijen tanden bloot die een wit-blauw schijnsel dat aan Gerard Joling deed denken uitstraalden op de fles, die de fles, op zijn beurt, terugkaatste op hun zonnebankbruine gezichten.

Ik schreef al eens eerder over deze ex-manager. Toen noemde ik hem Wally. Laat ik dat zo houden. Wally smiespelde nog even warmhartig met de mensen die genoeglijk baadden in het licht van hun eigen gebit, knipoogde en sloot de transactie af met een joviale klap op de schouders. Een ex-geliefde heeft mij na dit alles jarenlang bijna dagelijks flessen champagne laten sabreren met een kundig opgepoetste sabel vanaf het balkon van zijn kasteel, maar het heeft niet mogen baten. Die associatie van luxe en glamour die velen met champagne hebben, die krijg ik niet meer voor elkaar.