Column

De meedogenloze omgangsvormen in de machinekamer van Rutte III

Deze week: de meedogenloze binnenkant van de nieuwe coalitie. Ofwel: van de gedepolitiseerde managementstijl van Rutte II naar het conflictverlangen in Rutte III.

Tekst:

Het toeval wilde dat ik bij het begin van de bordesscène, afgelopen donderdag, op de Tweede Kamerfractie van het CDA zat.

Iemand had de televisie aangezet. De aandacht ging uit naar Hugo de Jonge, vicepremier van de christen-democraten, die de trappen afdaalde. Andere bewindslieden volgden: aan hun zoekende lichaamstaal kon je zien dat ze instructies hadden gekregen.

Pieter Heerma wandelde binnen. De man die met Sybrand Buma de onderhandelingen voor zijn fractie had gedaan.

Een typische bemiddelaar. Zo iemand op wie de andere formatieonderhandelaars gesteld waren.

Pieter Heerma groette ons, maar hij had haast, hij moest door, hij had net wat te eten in de kantine gehaald: een tosti en een appeltje.

Iemand zei, wijzend naar de bordesscène: kijk, Pieter, dat heb jij voor elkaar gekregen.

Pieter Heerma toonde enkele seconden belangstelling, toen had hij het wel gezien. Hij groette ons, en haastte zich verder.

Later begreep ik dat hij alweer aan zijn volgende taak was begonnen: als de nieuwe fractiesecretaris van het CDA ontving hij die dag alle fractieleden, de nieuwe en de achterblijvers. Plooien gladstrijken.

Maar zijn houding donderdagmiddag was een mooie relativering bij de komst van Rutte III. Als een van de mensen die een half jaar ploeterde zodat eindelijk weer een kabinet aantrad - met de koning, de fotografen en de hele fanfare -, had hij op het grote moment zelf geen enkel verlangen om deel te zijn van alle voornaamheid.

Hij nam een tosti en een appeltje.

Er hing de hele week vermoeidheid en verlangen in de gangen. De routiniers van het spel wisten dit natuurlijk, dus die lieten hun kans niet lopen: het dagelijks bestuur van VNO-NCW, machtigste lobby van Den Haag, kwam donderdagmiddag na de bordesscène meteen bijeen voor strategisch beraad over Rutte III.

In een van de coalitiefracties sprak ik ’s middags een andere noeste werker. Hij vertelde dat hij tijdens de bordesscène was overvallen door dodelijke vermoeidheid.

Aan dit nieuw kabinet, zei hij, ging twee jaar bikkelen vooraf. Het begon bij het denken over een verkiezingsprogramma, de kandidatenlijst, de afvallers, de partijcongressen, de campagne, de debatten, de formatie - en voor zijn gevoel eindigde het op het bordes.

Totdat hij zich realiseerde, vertelde hij, dat het nu pas begint. Vanaf maandag wekelijks coalitieoverleg met acht mensen: vier fractievoorzitters, drie vicepremiers, één premier. Geduld bewaren is het nieuwe regeren, zei hij minzaam.

Intussen drong in steeds bredere kring door dat Rutte III er ook anders uit had kunnen zien. In de senaatfractie van het CDA werd dinsdag geklaagd dat de partij, na het wegvallen van Wim van de Donk als kandidaat-minister, geen Brabantse bewindslieden heeft.

In D66 hoorde ik dat de Democraten ook de econoom Barbara Baarsma en junior-Kamerlid Rob Jetten (30) naar het kabinet had kunnen afvaardigen.

Nadat Rutte onderhandelaars vroeg om jonge bewindslieden, zette Pechtold Jetten op zijn lijstje als staatssecretaris van Instrastructuur en Waterstaat; dit leidde tot een interne lobby voor Stientje van Veldhoven, die de strijd in haar partij won.

Inmiddels is ook duidelijker hoe de verhoudingen tijdens de onderhandelingen echt waren, ofwel: wie, op dit moment, informeel de baas van deze coalitie zijn.

In feite, legde een betrokkene me uit, was de formatie vanaf dag één een project van drie mannen – Rutte, Pechtold, Buma – die zozeer op elkaar zijn ingespeeld, en zoveel van elkaar weten, dat alle anderen deelnemers buitenstaanders zijn gebleven.

Dit gold al voor Jesse Klaver, van nature een weifelaar, en later ook voor Gert-Jan Segers, die tijdens het onderhandelen graag hardop mocht denken.

De twee relatief jonge leiders leken binnenskamers vaak te worden overvallen door de stijl van het ervaren trio.

Rutte en Buma zitten sinds 2002 in de landspolitiek, Pechtold sinds 2005: al vele malen voerden ze onderhandelingen met elkaar.

De persoonlijke relaties zijn behoorlijk, maar door die eerdere besprekingen weten ze ook: wie te soft is, of te veel een blij ei, wordt rigoureus gepakt.

Het effect is dat zij binnenskamers staalhard voor elkaar zijn, en dat zij dit van elkaar accepteren. Ze maken conflicten niet persoonlijk, maar strijden zonder enig mededogen.

Zo verliep ook in de slag om Sociale Zaken, waarvan iedereen wist dat dit de eerste keuze van de CU was. Segers liet zich eerst overvallen toen alle drie de routiniers Financiën en/of Sociale Zaken opeisten als hun voorkeur in de vierhoek. Dit gebeurde al voordat de CU-leider iets had kunnen zeggen.

Nadat Zalm Ruttes claim ontmaskerde – wilde hij dan AZ opgeven, vroeg de informateur –, en Buma Financiën binnenhaalde, schoot de CDA-leider Pechtold te hulp: D66 had recht op Sociale Zaken, meende Buma.

Daar zat Segers: weggespeeld door een meedogenloosheid die hij zelf niet heeft. Dus toen hij opwierp dat hij dan overwoog de hele coalitie op te zeggen, hadden de drie het allang gezien: daar meende hij niets van. Zo belandde Carola Schouten op Landbouw.

Een verrassingseffect dat meespeelde was dat D66 het ministerschap van Economische Zaken en Klimaat aan de VVD liet, zodat de Democraten uitvoering van het voor hen gevoeligste beleid niet in eigen hand hebben.

In D66 wordt gezegd dat men alle vertrouwen heeft in Eric Wiebes, de nieuwe minister, en vooral in Rutte zelf: het was het initiatief van zijn ambtenaren, hoorde ik, om van klimaat een apart hoofdstuk in het regeerakkoord te maken.

En er was deze week veel gemiep over schoenen – gezegend het land dat zich daar druk over kan maken – maar feit is dat het nieuwe kabinet volop mensen bevat die uit kunnen groeien tot de nieuwe politieke gezichten van het land: Hoekstra en De Jonge van het CDA; Ollongren en Kaag van D66; Schouten van de CU, etc.

De grote kwestie van deze coalitie wordt daarom hoelang het informele leiderschap van Rutte III in handen van het geroutineerde trio blijft.

Je mag aannemen dat Gert-Jan Segers van zijn ervaringen heeft geleerd: die weet nu ook dat hardheid loont. En bij voorbeeld op het punt van klimaatbeleid bevat het regeerakkoord voldoende losse eindjes die de VVD-fractie, mocht aankomend VVD-leider Klaas Dijkhoff dat willen, ruimte biedt om onder de afspraken weg te lopen.

Daarbij zou het volmaakt logisch zijn als in coalitiefracties, zeker CDA en VVD, een verlangen naar conflicten met het kabinet ontstaat. Beide partijen ondervinden concurrentie van Wilders en Baudet. Beide partijen zien het als taak van deze coalitie om de groei van het rechts-populisme in te dammen.

Insiders voorzien daarom een erg politieke tijd. Na de gedepolitiseerde managementaanpak van Rutte II volgen nu de profileringsdrang en opgeklopte conflicten van Rutte III, met een welbekende subvraag: voorkomen zij zo de groei van het populisme of maken zij er een knieval voor?

Het stelt Pechtold en Segers bovendien voor een andere vraag: hoelang zij zich, als leiders van middenpartijen, neerleggen bij coalitiepartners die deze middencoalitie slechts naar rechts proberen te trekken.

Je kunt voorzien dat al deze conflictstof ook tot strijd binnen partijen leidt, tussen de geroutineerde maar oudere leiders en de onervaren maar veelbelovende bewindslieden. En tussen Rutte en Dijkhoff.

Rutte III: een kabinet met een ervaren kern en een ongewisse bestemming.

Een senator uit een coalitiefractie schetste het me dinsdag zo. Het motto mag Vertrouwen in de toekomst zijn, zei hij, maar je moet eens in de tekst van het regeerakkoord kijken: er staat geen woord over de toekomst in.

„Dat durfden ze blijkbaar zelf ook niet aan”, vertelde hij.