Wat je niet kan leren in Qatar, maar wel in Friesland

Design Friesland heeft een reputatie in vilten. Studenten uit Qatar kwamen er op – zware – les. „Ik heb zelfs geen vingeradrukken meer.”

‘Vilten’ in Oldeberkoop, met links een van de docenten uit Qatar. Boven: conceptuele bidkleedjes. Bijvoorbeeld het zwart-gele kleed: ‘stop met wat je aan het doen was, ga bidden, en daar ligt Mekka’. Foto Maaike Engels

Toen ze eenmaal aan het vilten was geslagen, moest Nourbana Hijazi haar ontwerp voor een bidkleedje aanpassen. De cirkels in haar matje zijn onregelmatig uitgevallen. Het heeft zijn charme, vindt ze zelf ook, maar in haar ontwerp waren de cirkels nog perfect rond.

Hijazi is niet de enige die haar ontwerp moest aanpassen aan de weerbarstigheid van zelf gevilte wol. De twaalf studenten en hun begeleiders van een designopleiding in Qatar, die vorige week in Nederland waren, hadden vooraf een conceptueel ontwerp gemaakt voor een bidkleedje. Vijf gebeden per dag, asymmetrie omdat de voorkant richting Mekka wijst, een plek om alleen te zijn met hun god – dit soort elementen bepaalde de ontwerpen. Maar deze week, in het oude schoolgebouw van het Friese Oldeberkoop waar het warm is en naar damp en zeep ruikt, blijkt dat vilt niet zo makkelijk aan hun wil te onderwerpen is.

„Dan moeten ze nieuwe beslissingen nemen: dat is de essentie van design”, zegt Rab McClure opgewekt terwijl hij opkijkt van zijn grijze kleed met grote, druppelvormige verdikkingen. „Design is kiezen: wat kan ik allemaal met dit materiaal en wat is dan de beste keus.”

McClure is hoofd van de designopleiding aan de VCUarts, een kleine afdeling in Qatar van de grote Amerikaanse Virginia Commonwealth University School of the Arts in Richmond, Virginia. Deze campus zit sinds 1998 in Doha, de hoofdstad van het oliestaatje, en het was de eerste buitenlandse universiteit die in de zogeheten Education City in Qatar een dependance opende. „Omdat vrouwen uit Qatar niet zonder begeleiding in het buitenland kunnen studeren, heeft Qatar buitenlandse universiteiten uitgenodigd naar Doha.”

McClure neemt zijn studenten ieder jaar mee op een buitenlandse reis. Vorig jaar waren ze in Italië, waar ze de combinatie van computerdesign en aardewerk bestudeerden. Dit jaar zijn de studenten te gast bij textielinstituut Hawar in Oldeberkoop in Friesland. „Ze zeggen steeds dat ze het hier zo groen vinden”, zegt Meinie Wardenier. Zij richtte met haar man, Harm Harms, 35 jaar geleden een textielschool op. Aanvankelijk gaven ze les vanaf een kotter, nu zit het instituut dus in een voormalig schoolgebouw.

Spierpijn

Friesland heeft een internationale reputatie in vilten. De bekendste viltkunstenares van Nederland, Claudy Jongstra, heeft zich begin van deze eeuw gevestigd in de provincie. Zij heeft zelf een schapenkudde en een heemtuin voor de planten waarmee ze de wol kleurt. Werk van Jongstra hangt in onder meer het Rijksmuseum en het MOMA in New York. Ze ontwierp stoffen voor modeontwerpers als Alexander van Slobbe, Christian Lacroix en John Galliano.

Foto’s Noha Fouad

Het is deels toeval dat de studenten uit Qatar naar Nederland zijn gekomen. Het oorspronkelijke reisdoel Barcelona viel af, door de onrust over het referendum voor de onafhankelijkheid. Maar Rab McClure kende Hawar en het Friese textielinstituut omdat hij er een workshop had gevolgd van de Nederlandse vilter Marjolein Dallinga, van wie hij erg onder de indruk was. Zij woont in Canada, maar komt nog af en toe naar Nederland. Haar kleurrijke organische viltwerken maakt ze onder meer voor circustheater Cirque de Soleil.

Hoewel vilten al enige tijd geleden is losgebroken uit de sfeer van hobbyhandwerk zijn de meeste cursisten van Hawar nog altijd aan de oude kant, verzucht Wardenier. Behalve deze week dus. De Qatarese studenten zijn allemaal begin twintig. In vier dagen leren ze van Harm Harms en autodidact Saar Snoek de beginselen van het vilten én voeren ze hun ontwerp uit.

Nu, op de vierde dag, klagen de meeste studenten over spierpijn. Vilten komt neer op het (min of meer eindeloos) inwrijven van losse wol met water en zeep, tot de wolvezels in elkaar haken en een stof vormen. Overal staan studenten verwoed te wrijven en te kneden, sommigen met een soort houten ‘nepknokkels’ om de handen te sparen.

Vilten is hard werk, zegt Mohammed Jawal, die oorspronkelijk uit Pakistan komt. „Ik heb zelfs geen vingerafdrukken meer. Ik heb mijn identiteit aan het gebedskleed gegeven!” Zijn kleed loopt geleidelijk van bruin naar helder wit, waar het hoofd bij het bidden het kleed raakt. Daar heeft hij een soort rond wit kussentje gemaakt voor het hoofd, met witte ringen eromheen. „Daar ben je het dichtst bij god, ik wilde daar veel licht.”

Op de andere zes plekken waar het lichaam bij het bidden het kleed raken zijn ook verdikkingen ingevilt, met roomwitte zijde. „Ik wilde dat het heel luxe aanvoelt.” De bruine kleur in zijn kleed is onder meer van kamelenhaar, dat de studenten hebben meegenomen uit Qatar.

Foto Noha Fouad

Jawal is al best ver, hij kan zijn kleed waarschijnlijk al mee terugnemen. Andere kleden worden door Snoek afgemaakt en daarna opgestuurd. Zoals het kleed met een patroon dat een weergave is van de geluidsgolven van de oproep tot het gebed. Dat stikt ze om, zodat het scherper gedefinieerd wordt. Of zoals het witte kleed met zes prachtige halfronde bollen, van de oorspronkelijk Koreaanse Sehee Jang. Daar knipt Snoek nog rondjes uit de bovenkant, zodat de ingevilte kleuren zichtbaar worden.

Jang vindt het jammer dat de gekleurde rondjes al doorschemeren, als tepelhoven, waaruit de kleinere rondjes zullen worden uitgesneden. „Ik ben inderdaad bang dat sommige mensen hier borsten in zullen zien.”