Opinie

Temper de strijd tegen ‘privileges’

De gekte van de Franse Revolutie leeft door in het hedendaagse activisme tegen ‘privileges’, schrijft . Hij roept dwarse reactionairen op tot subtiel en alledaags verzet.

Le Peuple sous l’ancien Régime, ‘Het volk onder het Ancien Régime’: Franse spotprent uit 1815 met Lodewijk XVI, een bisschop en een edelman op de rug van een geketende en geblinddoekte man die ‘het volk’ verbeeldt. Illustratie Library of Congress

Het is de nacht van 4 op 5 augustus, 1789. De revolutionaire Franse Nationale Vergadering is in extase, want vannacht nog worden alle privileges afgeschaft. Het voelt als een bevrijding, ook voor aanwezigen die hun privileges juist moeten opgeven. Huilend van blijdschap zweren aristocraten, geestelijken en regionale vertegenwoordigers hun privileges af. Als de zon opgaat, is alles en iedereen gelijk. Vanaf die nacht werden in Frankrijk en daarna door heel Europa in rap tempo alle middeleeuwse privileges afgeschaft. Het woord ‘privilege’ stamt van het Latijnse privus en legum en betekent ‘privérecht’, oftewel speciaal voorrecht. Naast belastingvrijstelling voor aristocraten en geestelijken ging het om zelfbeschikkingsrechten voor universiteiten, kerkordes, vrije steden en gildes.

Maar hoewel we de privileges dus al hebben afgeschaft, maakte het begrip de laatste jaren vanuit de Verenigde Staten een grote comeback in activistische kringen. ‘Privilege’ fungeert nu als het kernconcept van de linkse identiteitspolitiek. ‘Wittenprivilege’ en ‘mannenprivilege’ zouden gekleurde en vrouwelijke identiteiten onderdrukken. Het gaat niet letterlijk om privileges, want dat zijn formele toekenningen van de staat. In het nieuwe discours zijn ‘privileges’ onbewuste onderdrukkingsstructuren.

Een andere erfenis van de Revolutie in onze taal is dat we regeringen die we slecht vinden, ‘regimes’ noemen. Het ‘Assad-regime’, het ‘Apartheidsregime’. Zulke landen associëren we impliciet met het Ancien Régime, dat door de Revolutie omvergeworpen werd. Onterecht, want dat Ancien Régime was zo slecht nog niet. De vererfde privileges van aristocraten mochten weg, want gelijke burgerrechten zijn een groot goed. Maar de institutionele privileges voorzagen universiteiten, kerken en vrije steden van zelfbestuur en autonomie jegens de staat.

Ach, de revolutionairen waren klaar met compromissen. Alle geestelijken werden ambtenaren, kerkelijke bezittingen werden genationaliseerd, universiteiten overgenomen. De staat ging de maatschappij op ‘rationele’ en uniforme wijze vormgeven. Dit ontaardde al snel in Robespierres schrikbewind waaronder telkens meer vermeende vijanden van gelijkheid en vooruitgang naar de guillotine werden afgevoerd. Zo’n escalerende klassenstrijd was toen een nieuw fenomeen, maar het schiep een revolutionaire traditie die in de twintigste eeuw in communistische landen, zoals Rusland, tot totalitaire tirannie leidde. Beijing, Pyongyang en Phnom Penh volgden vervolgens weer het Moskouse voorbeeld. Nog nooit eerder waren staten zo systematisch onderdrukkend. De twee unieke nieuwe eigenschappen van de moderniteit – activistisch idealisme en totalitaire sturingsdrang – bleken nauw met elkaar verweven te zijn. Sterker nog: het slechtste van de moderniteit, haar totalitaire hang, kwam voort uit haar meest idealistische gelijkheidsstreven.

Dat is ook de vloek die ons hedendaagse linkse identiteitsactivisme teistert. Zijn gekte is die van de moderniteit als geheel. Critici maken zich er te makkelijk vanaf door zich op recente relletjes te richten, zoals genderneutrale wc’s. Zelfs de Amerikaanse ideeënhistoricus Mark Lilla, die de linkse identiteitspolitiek aanvalt in zijn jongste boek, richt zijn pijlen op wat hij ziet als recente en hoofdzakelijk Amerikaanse excessen. In een interview in Trouw (15/10) licht hij zijn argument toe. De aanjagers van identiteitspolitiek „zien het politieke speelveld niet als een vrij, open debat om anderen te overtuigen en achter je te scharen om invloed uit te oefenen. Zij zien het als een plek om zich te beklagen over persoonlijk onrecht en leed, en om anderen te kapittelen en op te roepen hun zonden op te biechten en zich te bekeren”.

Maar hierin schuilt een bekend sjabloon: de ‘onderdrukten’ moeten zich bewust worden gemaakt van het historische systeem dat hen onderdrukt en in opstand komen, terwijl de ‘onderdrukkers’ hun ‘privileges’ moeten opgeven en boete moeten doen van hun historische zonde. Nu gaat het om vrouwen tegen mannen, gekleurden tegen witten, minderheden tegen de meerderheid. Maar we zijn ditzelfde verhaal in twee eerdere versies tegengekomen. Bij oud-marxistisch links waren het de arbeiders en de boeren tegen de kapitalisten en de landeigenaren. In de Franse Revolutie ging het om gewone burgers versus geprivilegieerden.

De gekte slaat toe op het moment dat we die ongelijkheden benaderen vanuit een fictieve tweedeling tussen onderdrukkers en onderdrukten.

En zoals aristocraten met tranen van blijdschap hun privileges afzwoeren, zo bevrijden zich nu huilende blanke mannen van hun onbewuste privilegementaliteit bij therapiesessies van Artikel 1. De paranoia over onbewuste superioriteitscomplexen, die onze huidige activisten zoeken in mannen en blanken en hun marxistische voorgangers in burgerlijke types, zat er bij de Franse revolutionairen ook al in. Ze speurden overal naar tekenen van een ‘aristocratisch complot’, een complot waar mensen onbewust deel van konden uitmaken.

De Revolutie brandt door in ons hedendaagse activisme, smeulend, maar met hetzelfde schadepotentieel. Begrijp me niet verkeerd: het is goed dat het gelijkheidsideaal op een breed scala domeinen wordt toegepast. Men begon met gelijke juridische rechten, keek toen naar economische ongelijkheid en uiteindelijk naar genderrelaties en culturele groepen. Dat is een democratisch groeiproces.

De gekte slaat toe op het moment dat we die ongelijkheden benaderen vanuit een fictieve tweedeling tussen onderdrukkers en onderdrukten. Die tweedelingsformule is een voertuig voor politieke mobilisatie. Als je namelijk zou zeggen: ‘Goh, er zijn arme en rijke mensen en van alles ertussenin en het is moeilijk onderscheid maken tussen daders en slachtoffers’, dan zou dat waarheidsgetrouw zijn, maar weinig opruiend.

Je moet eerst twee tegengestelde kampen schetsen, om vervolgens de ‘economisch onderdrukten’ op te zetten tegen de ‘economische onderdrukkers’. Hetzelfde geldt voor etniciteit. Nergens in de lappendeken aan etniciteiten vind je een duidelijke tweedeling. Je kunt etnische rancunes pas politiek mobiliseren als je mensen in ‘witten’ en ‘niet-witten’ opdeelt, wat trouwens zowel biologisch als cultureel een arbitraire indeling is.

Het effect van zulke manipulaties is polarisatie en politisering. Politieke idealen en tegenstellingen worden te diep het alledaagse leven van gewone mensen in geduwd; zoals dat voor het eerst in de geschiedenis, en veel agressiever dan nu, gebeurde tijdens de Franse Revolutie.

Robespierres schrikbewind werd beëindigd door de matigende Thermidoriaanse Reactie van 1794. Daar komt het woord ‘reactionair’ vandaan. Iets oudere socialisten gebruiken ‘reactionair’ nog steeds als een negatief etiket voor onrevolutionaire types, maar het verwijst naar een eigenlijk goede interventie.

We moeten het nog steeds hebben van dwarse reactionairen. Dat zijn mensen die geen zin hebben in de verplichte diversiteitscursus op hun werk, quota’s oneerlijk vinden, bij het horen van nieuwe politieke termen vaak in de lach schieten en ook vooral andere dingen aan hun hoofd hebben. Reactionairen hebben geen groot ‘tegenverhaal’. Het verzet is alledaags en subtiel. Alle beetjes helpen. Verwerp de opruiende manipulaties van activisten; saboteer de oprukkende politisering.