Recensie

Jan Wolkers, de man, de mythe, het materiaal

Biografie

Onno Bloms biografie ontbeert duiding en interpretatie. Soms snak je naar scheiding van man, mythe en materiaal.

Links: Uit besproken boek. Midden: Vincent Mentzel (2000). Rechts Koos Breukel (2007).

Jan Wolkers (1925-2007) had ‘op zijn linkerslaap een leverkleurig litteken’, schrijft zijn biograaf Onno Blom, ‘alsof iemand met een groot penseel een klodder paarsbruine verf op hem had aangebracht’. Daarmee was hij van jongs af een getekende – hijzelf en zijn Bijbelse omgeving zagen het als een Kaïnsteken. Als een ‘brandmerk van zijn ware aard’, een stigma van degene die niet deugt. Een stigma dat ook nog sterk te maken heeft met een dode broer. Die had Wolkers ook, en daarover voelde hij zich schuldig.

Met dat stigma heeft Onno Blom (1969) een rode draad van jewelste in handen, aan het begin van Het litteken van de dood. Daarin kun je immers de fundamenten herkennen van Wolkers’ rebelse status van maatschappelijk bevrijder en ontworstelaar aan strikte burgermansnormen. Daarop kun je zijn eindeloze gevoel van literaire miskenning terugvoeren. Daar, in die werkelijkheid, herken je de wortels van Wolkers’ idiosyncratische metaforiek: beelden die zinnelijkheid, schoonheid, dood en rotting combineren. ‘Jan wilde zijn angst, woede en verdriet bezweren door een tekening te maken’, schrijft Blom. Met als conclusie van de schrijver zelf: ‘Niemand is dichter bij de waarheid gebleven dan ik’, zei Wolkers. ‘Mijn leven en werk zijn één.’

Blom was ‘als de dood om een kruimel of snipper materiaal te missen’

Hoe dat dan in zijn werk ging, dat bezweren – daarover belooft Het litteken van de dood te gaan, de biografie waaraan Blom tien jaar werkte en de volledige beschikking kreeg over Wolkers’ archieven. Zoals Blom in zijn proloog schrijft: ‘Hoe maakte hij van zijn leven werk en hoe bepaalde zijn werk zijn leven?’ Dat zijn de juiste startblokken voor een biograaf, waar ik nog wel aan zou willen toevoegen: en viel die waarheid een beetje te rijmen met de werkelijkheid? Tegelijk kondigt Blom dan aan ‘terughoudend’ te zijn geweest bij het geven van ‘verklaringen’. (Wat nog iets anders is dan de veel heikeler kwestie van het vellen van een moreel oordeel.) Maar van een biografie, en zeker één van bijna duizend bladzijden geschreven tekst, verwacht je juist een eigen verhaal, een verklaring, al is het een educated guess, die ontstaan is doordat de biograaf zich een weg baande door de relevante documenten, getuigenissen, werk, achtergronden en context, en te vergelijken, wikken en wegen.

Kruimel of snipper

Maar daarmee is Het litteken van de dood dus ‘terughoudend’. Integendeel was Blom ‘als de dood’, schrijft hij helemaal aan het einde, ‘om een kruimel of snipper materiaal te missen’ – en daarvan getuigen die duizend bladzijden ook wel. (Terwijl: er zal heus ooit een kruimel of snipper teloor zijn gegaan, domweg opgeveegd. Je kunt je afvragen of die snipper werkelijk relevant was om een treffend beeld van Wolkers te kunnen schetsen. Is een leven een legpuzzel, waarvan je de tekening pas herkent als het laatste stukje gevonden is? Dat lijkt me een tragisch biografenmisverstand.)

Waar de eerste hoofdstukken nog een verfrissend thematisch uitgangspunt hebben – de betekenis van het overlijden van broer Gerrit en het litteken worden diachroon beschreven – gaat Blom algauw over tot het ontsluiten van Wolkers’ gigantische archief en het aaneenrijgen van feiten, verhalen en anekdotes, die min of meer chronologisch Wolkers’ levenswandel volgen. Dat levert mooie verhalen op: behoorlijk ontroerend is dat Wolkers, wanneer zijn broer is overleden, een rouwboeket zonder afzender verstuurt, als gebaar aan zijn moeder, die dan zou denken dat Gerrit een onbekende geliefde had, wat zij zo hoopte. Het levert ook schitterende citaten op, die evenzeer Wolkers’ stilistische gave toont als zijn persoonlijkheid tekent, half romanticus en half woesteling. Als hij onder militaire dienst hoopt uit te komen, schrijft hij zijn beste vriend: ‘Ik heb zin om naakt en bruin achter een ploeg te lopen, in de damp van de openscheurende aarde, en dan later als een zaaier van Vincent van Gogh over het land te gaan, zwaar als een halfgod en breed uitstrooiend het zaad in de donkere aarde.’

Blom houdt de zelfmythologisering van Wolkers in stand, in plaats van zijn verhalen als een doortastende biograaf te ontmythologiseren

Die reeks verhalen biedt vast het gehoopte feest van herkenning voor wie opgroeide met het oeuvre en de publieke persoonlijkheid Jan Wolkers, maar in een biografie hoop je de gebeurtenissen niet alleen één voor één, maar toch vooral in samenhang opgedist te krijgen. Dat doet Blom te weinig. Zijn beschrijving van hoe het leven van Wolkers zijn weerslag kreeg in zijn literatuur, bevat niet alleen geregeld een oubollig cliché (‘Daar sloeg hij de spijker op z’n kop’), maar getuigt ook van een opmerkelijk bronnengebruik. Dagboekfragmenten en romanpassages worden zonder veel omhaal geïncorporeerd in het historische feitenrelaas, terwijl je voor zo’n gelijkschakeling nou juist een verdediging of interpretatie van de biograaf nodig hebt. Juist daar waar vervorming en verdichting plaatsvinden, kom je tot de kern van een schrijverschap: wat dééd Wolkers met zijn leven, zijn ‘materiaal’? Daar laat Blom kansen liggen. Hij noemt parallellen, maar onderzoekt ze zelden echt.

Snotlandschap

Om een voorbeeldje te noemen, dat misschien onbenullig voelt, maar ook exemplarisch is: hoe zat het nou met de onderkant van het crapaudje van Olga’s vader in Turks fruit, dat een legendarisch ‘miniatuurlandschap was van gedroogde snot’? ‘Flauwekul’, zegt Annemarie Nauta, die model stond voor Olga, en je bent geneigd haar te geloven. Wolkers kon overdrijven. Maar tweehonderd bladzijden later wordt het snotlandschap echter weer genoemd, zonder voorbehoud, alsof het wel degelijk bestond.

Misschien vond Blom het verhaal te mooi om dood te checken? Op zich is het geen halszaak, maar het staat voor iets groters: Blom houdt zo de zelfmythologisering van Wolkers in stand, in plaats van zijn verhalen als een doortastende biograaf te ontmythologiseren. Nog zoiets: ‘Om zijn verdriet te verwerken ging hij in de twee jaar na haar vertrek met een paar honderd vrouwen naar bed’, schrijft Blom over de zelfbenoemde ‘slordige periode’ uit Wolkers’ leven. De voetnoot daar verwijst naar een gesprek met Karina, Wolkers’ derde vrouw, die op dat moment nog helemaal niet in beeld was – hoe kan zij dan als betrouwbare bron dienen?

Vrouwenmepper

Terwijl Blom elders juist degelijk, afgewogen werk levert, bijvoorbeeld als hij Wolkers terecht als vrouwenmepper neerzet, of bij de moreel penibele kwestie van de verhouding die Wolkers als 56-jarige man begon met een 17-jarig meisje. ‘Het is belangrijk voor mijn werk’, aldus Wolkers, en dat duidt Blom aan de hand van de roman Gifsla. Maar een sluitende verklaring komt er niet. Zo loop je in Het litteken van de dood steeds aan tegen de keerzijde van Bloms show-don’t-tell: je snakt soms naar zijn duiding, zijn interpretatie, naar scheiding van man, mythe en materiaal, naar wat psychologisering, och, dan in godsnaam maar wat Freud!

Blom vertelt de verhalen van Wolkers, maar zijn verhaal over Wolkers mis je – tot op het allerlaatst. In de epiloog duidt de biograaf zijn onderwerp, nadat we dat honderden pagina’s lang wel heel erg zelf hebben moeten doen. Hij verbindt het verstikkende calvinisme waarin Wolkers opgroeide met de vrijheidsdrang van later, ziet verbanden tussen het beeldende werk en het geschrevene, trekt lijnen van de autobiografie naar de autobiofictie, van de geile rouwdouwer naar de aandoenlijke natuuropa.

Zo redt hij de biografie op het nippertje, al had die analyse natuurlijk eigenlijk geen toegift moeten zijn, maar de rode draad waaraan het verhaal opgehangen was. Dan had Blom meteen een karrenvracht aan leuke, maar ook overtollige anekdotes kunnen schrappen. ‘In zijn werk heeft hij het leven willen bezweren’, schrijft Blom in de epiloog. Daarin, moet je vaststellen, slaagde Wolkers beter dan zijn biograaf.