Recensie

In de slagschaduw van Icarus: de debuutroman van Arjen van Veelen

Arjen van Veelen

In een fijnzinnige roman memoreert essayist Arjen van Veelen de jong overleden Vlaamse schrijver Thomas Blondeau (1978-2013), die blijkbaar al vroeg wist dat hij relatief kort zou leven.

Thomas Blondeau in 2010. Foto Paul Levitton/Hollandse Hoogte

Dat het zomaar opeens voorbij kan zijn, werd bevestigd op 21 oktober 2013, toen het bericht naar buiten kwam dat een dag eerder de jonge Vlaamse schrijver Thomas Blondeau was overleden aan een hartslagaderbreuk. Blondeaus literaire nalatenschap bestond uit drie romans (eX, Donderhart en Het West-Vlaams versierhandboek) en uit vele columns en andere journalistieke artikelen. Postuum volgde nog de publicatie van Mijn beste gedicht dat u nooit zult lezen; wrang genoeg Blondeaus poëziedebuut.

Blondeau en zijn schrijverij nemen een belangrijke plaats in in het romandebuut van een vriend van hem, de journalist en onderscheiden essayist Arjen van Veelen. Mogen we in dit geval van fictie zo plomp stellen dat het over Blondeau gaat? Ik denk niet dat Van Veelen er een probleem mee zal hebben. Thomas heet in de roman weliswaar ‘Tomas’ (zonder h dus), maar de overlappingen vallen niet te negeren. Op zeker moment komt er in de roman zelfs een screenshot voorbij van de Teletekst-pagina waarop Blondeaus dood wereldkundig werd gemaakt. Thomas met een h dus.

Je kunt Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken lezen als een ode aan de vriendschap. Die inzet zit er absoluut in. De verteller – die overigens nergens met ‘Arjen van Veelen’ of met welke andere naam dan ook wordt aangesproken – begint bij de vonk. Leiden, eind jaren negentig, de één is een bescheiden eerstejaarsstudent klassieke talen, de ander een net iets oudere, eigenzinnige en vroegwijze student literatuurwetenschap, rondrijdend in een oude Mercedes.

Die studie wordt niet al te serieus genomen: het staat allang vast dat Tomas schrijver en geen wetenschapper of iets dergelijks gaat worden. Een schrijver die hoog mikt. Het ironische van Tomas is dat hij je met zijn gestrooi met citaten en wijsheden aanvankelijk wat vermoeit en pas na enige tijd verkwikt.

Van Veelen geeft hem heel subtiel steeds meer karakter, waardoor je niet alleen begint te begrijpen waarom hij zich danig overschreeuwt, maar je ook een bepaald patroon in zijn denken begint te ontwaren. Hij lijkt zich er op raadselachtige wijze van bewust te zijn dat hij maar een relatief korte tijd op aarde zal doorbrengen. Er moet dus niet alleen volop geleefd worden, er moeten ook verdomd snel boeken en gedichten geschreven worden. Het gebeurt achter een bureau waarop een doodshoofd ter decoratie prijkt. Of ter herinnering.

Alexander de Grote

De dreigende dood en de strijd om iets van waarde geconserveerd te zien, vinden we terug in de andere lijnen waaruit de roman is opgebouwd. Zo worden we meegenomen naar Alexandrië, waar de verteller zich van de tamelijk onmogelijke taak kwijt om de tombe van Alexander de Grote te vinden. Daarnaast voert het narratief langs Saint Louis in de Verenigde Staten, waar de verteller eerst niet veel uitvoert, maar zichzelf uit dat moeras trekt door, vergezeld van zijn kat, wandelingen door de vervallen stad te maken en er journalistiek verslag van te doen.

Het duurde even eer ik in de ban raakte van Van Veelens project. Om eerlijk te zijn, had ik er eerst niet al te veel vertrouwen in dat de onmiskenbaar scherpe, maar ook wat geremde waarnemer die Van Veelen is, in staat zou zijn om ook de diepgaand emotionele thematiek van vriendschap en rouw in een verhalenweb te vangen. Aangekomen in Alexandrië lees je bijvoorbeeld over de potsierlijke toeristenindustrie die kapitaliseert op de glorie van de oudheid, en Tomas wordt alleen maar op een soort bewonderende toon geportretteerd: wat heeft (a) een en ander met elkaar te maken en (b) kijkt u wel uit dat u niet te veel honing op de pagina’s smeert?

Verdichting treedt echter wél op wanneer je oog begint te krijgen voor de verteller. Die is zo timide en steekt zo flets af bij het grote gebaar van Tomas en Alexander dat je zijn stem of wezen eerst misschien wel wat over het hoofd hebt gezien. Begrip én bewondering krijg je pas na verloop van tijd, als je door krijgt dat de verteller er de mens niet naar is om zijn verdriet van de daken te schreeuwen.

Wat echt en niet echt is

De roman, die toch al in het teken van het zoeken staat, is ook een zoektocht naar de emotionele uitwerking van het overlijden van een naaste. Zoals Van Veelen ook in zijn essays wil weten wat echt en wat niet echt is, zo zoekt hij dat hier ook op. Kort na Tomas’ dood glijdt hij samen met andere vrienden de geijkte rituelen in, maar de tekst ademt op dat moment ook iets plichtmatigs, alsof we moeten zien dat ook het, niet op de laatste plaats door hem zelf veronderstelde, lijden zich volgens culturele routines voltrekt.

De echte sleutel tot deze fijnzinnige compositie zit hem dus in die bedeesde verteller. Het lag juist in zijn aard om in de slagschaduw van Icarus te opereren, maar hij staat nu opeens in het volle zonlicht een gedenkteken te bouwen. Het resultaat - een verstandelijke, precieze verkenning van teloorgang en vergetelheid - is prikkelend, ambitieus en oprecht.