Column

Hetzelfde liedje

Ik was weer eens verslaafd: niet aan iets waardoor je aankomt of kans loopt op een enge ziekte, maar aan iets veel onschuldigers: een liedje. Dit keer betrof het een pianostuk van Debussy. Zo lag ik zondag anderhalf uur later in bed dan de bedoeling was, omdat ik de repeatknop maar niet kon uitzetten. En ik was woedend op mezelf: ik haat het om afhankelijk van iets te zijn.

Volgens de wetenschap is zo’n tijdelijke muziekverslaving niet zorgwekkend. Sterker nog, 90 procent van de muziek die we luisteren kennen we allang. Desondanks wilde ik er zo snel mogelijk vanaf. Toen ik het stuk vanochtend weer opzette, walgde ik van mezelf. Het was extra frustrerend omdat ik niet eens zo veel om muziek geef, althans, vergeleken met de meeste mensen. Ik heb eens een weekend in de woestijn gezeten met een vriend die twee powerbanks bij zich had om zijn iPod te kunnen opladen. Zo erg was het bij mij echt niet. Dacht ik.

Want inmiddels was ik al ruim twee etmalen verslaafd aan een pianoriedel van amper vier minuten. Natuurlijk, ik beschikte over de motorische vaardigheden om het af te zetten, maar werd dan meteen overspoeld door een enorm gevoel van incompleetheid die me ertoe dwong het nummer weer op te zetten. Uitgeput door dit muzikale equivalent van het stockholmsyndroom belde ik mijn zus, die psychologe is. Ze klakte met haar tong.

‘Tja”, zei ze. „De mens is gebouwd om zich aan dingen te hechten. Dat zorgt ervoor dat je overleeft. Als er geen direct object in de buurt is waarnaar je verlangt, kun je je leeg gaan voelen. Zeker in een samenleving als de onze, waarin je je nooit zorgen hoeft te maken over je basisbehoeften. Wees blij dat de bron van jouw begeerte een liedje is en geen crack.”

„Ik wil die piano met een hamer uit mijn hoofd rammen.”

„Dan gaat die geest van je echt meteen weer op zoek naar iets anders om aan vast te kleven.” Het was alsof ik mijn zenmeester hoorde: bla bla alles is verlangen en dus lijden bla bla koan koan bla.

En zo zat ik het liedje uit, tot ik er heel langzaamaan genoeg van kreeg. Vanochtend was het eindelijk zover: ik kon geen octaaf meer aan en borg tevreden mijn iPod op. Meteen ontstond er een grote rusteloosheid. Ik merkte dat ik verlangde naar een níéuw nummer om honderd miljoen miljard keer te herhalen. En zo ijsbeerde ik door mijn woonkamer, radeloos omdat ik van een verslaving af was, maar niet van mijn vermogen om me tot in den treure te willen hechten.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.