Column

Grapperhaus, minister voor rechtsbijstand?

De president van het Gerechtshof Amsterdam, Herman van der Meer, werd ruim een jaar geleden door de toenmalig minister van Veiligheid en Justitie, Ard van der Steur, gevraagd om onderzoek te doen naar het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Zoals dat vaker gaat, was het verzoek om nieuw onderzoek gevolg van eerder onderzoek. Een commissie onder leiding van Aleid Wolfsen had eerder gekeken naar de oorzaak van de kostenstijging in die rechtsbijstand. Van der Meer moest vervolgens onderzoeken hoeveel tijd advocaten kwijt zijn aan zaken in de rechtsbijstand. Blijkbaar krijgen advocaten een vaste vergoeding voor de tijd die ze kwijt zijn aan gesubsidieerde rechtsbijstand, en dat bedrag is gebaseerd op de gemiddelde tijd die advocaten twintig jaar geleden aan zaken besteedden. In de tussentijd is er nogal wat veranderd in de rechtspraktijk, zoals de werkdruk van advocaten. Bij de opdracht die Van der Meer kreeg, zat een verzoek. Hij mocht, zo blijkt nu, niet concluderen dat er meer geld bij moest. In de wetenschap noem je het bewust vooraf uitsluiten van ongewenste conclusies gewoon fraude.

Woensdag presenteerde Van der Meer de bevindingen van zijn commissie. De belangrijkste: advocaten krijgen te weinig betaald voor de tijd die ze kwijt zijn aan zaken in de gesubsidieerde rechtsbijstand. „Achterstallig onderhoud”, zo noemt Van der Meer het. Dat heeft gevolgen voor de kwaliteit, en daarmee voor de rechtsstaat. Let wel, in de laatste Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand van de Raad voor Rechtsbijstand (2016) staat dat 39 procent van de Nederlandse bevolking ervoor in aanmerking komt.

In juli kreeg toenmalig minister Stef Blok een tussenrapportage van Van der Meer. Hij liet aan de Kamer weten dat hij niet van plan was om meer geld uit te geven aan rechtsbijstand, „gezien de hoge kosten die reeds met het Nederlandse stelsel gemoeid zijn”. Maar goed. Toen heette het departement nog Veiligheid en Justitie. Het ministerie van Justitie en Veiligheid, zoals het vanaf deze donderdag heet, gaat het misschien helemaal anders doen. Volgens de nieuwe minister, Ferdinand Grapperhaus, is die naamswijziging – die tonnen gaat kosten aan briefpapier, e-mailadressen en eigenlijk alles waar nu nog ‘Veiligheid en Justitie’ op staat – best logisch. Hij wil benadrukken dat Nederland een rechtsstaat is en dat is justitie. Die rechtsstaat moet mensen waarborg geven, en dat is veiligheid. Een cynicus zou zich af kunnen vragen of iemand die afhankelijk is van de overheid om juridisch bijgestaan te worden, ook het belang inziet van die wijziging. Dat geldt voor iedereen die niet in de bubbel van Den Haag zit, for that matter.

Grapperhaus nam de afgelopen jaren geen blad voor de mond, ook niet over zijn kersverse collega-politici. Toen hem daarnaar gevraagd werd, was zijn antwoord dat hij als bewindspersoon een andere rol heeft dan als privépersoon. Maar wie het boek leest dat hij schreef, Rafels aan de rechtsstaat, betrapt hem zowaar op visie. Een woord dat de afgelopen jaren niet zo populair was op het Binnenhof.

Ik zal u het leesplezier niet ontnemen: als hij zijn schrijfstijl aanhoudt, worden de ambtelijke stukken van Justitie en Veiligheid prima behapbaar. Hij relativeert de betekenis van een gezamenlijke gemeenschap voor natievorming en betoogt dat etnische heterogeniteit goed kan zijn voor het welvaren. Hij schrijft over ongelijkheid, tussen rijk en arm, oud en jong, allochtoon en autochtoon, en de invloed daarvan op de samenleving. Het citaat voorin komt van Albert Einstein: „The world will not be destroyed by those who do evil, but by those who watch them without doing anything.” Grapperhaus staat vanaf nu niet meer aan de zijlijn. Een naamswijziging van een departement is symbolisch. Wil hij echt tonen hoe belangrijk de rechtsstaat is, dan kan hij meteen aan de slag met een fundamenteel onderdeel ervan: de rechtsbijstand.

Lamyae Aharouay werkt als redacteur bij BNR Nieuwsradio.