Commentaar

De koning kan afzijdig blijven bij de kabinetsformatie

Daar is hij deze donderdag dan toch nog: de koning. Op het bordes aan de achterzijde van Paleis Noordeinde omringd door zijn zestien nieuwe dienaren van de Kroon. Zijn taak beperkt zich deze formatie, die met 225 dagen als de langste aller tijden in de boeken zal komen te staan, tot het beëdigen van de nieuw aantredende ministers. Dat zijn ze op premier Rutte na allemaal.

De koning in de functie van staatsrechtelijke stempelaar, en zo hoort het ook. Het heeft lang moeten duren voordat de Nederlandse democratie deze staat van volwassenheid wist te bereiken. In 2012 was het eindelijk zover toen de Tweede Kamer door een wijziging van het Reglement van Orde besloot de formatie geheel naar zich toe trekken. Het betekende dat de (in)formateur in het vervolg rechtstreeks door de Kamer werd aangewezen en van een opdracht voorzien zonder tussenkomst van het staatshoofd.

Daarmee werd terecht een schimmig element uit het formatieproces gehaald. Want bij ingewikkelde kabinetsvorming kwam altijd weer de vraag op of het staatshoofd niet ergens op de achtergrond had zitten trekken of duwen. Vragen waarop het antwoord in nevelen gehuld bleef omdat de koning onschendbaar is.

De moeizaam verlopen formatie heeft de discussie over de rol van de koning in het formatieproces doen opleven. Na de eerste schermutselingen, waarbij informateurs wegens gebrek aan succes hun opdracht teruggaven, klonk direct de roep om een grotere betrokkenheid van de koning. Dan zou de formatie „minder hoekig” verlopen, zei bijvoorbeeld deze zomer oud-informateur Frans Leijnse (PvdA) tegen NRC.

Gelukkig is het tot nu toe bij dit gemompel in de marge gebleven. Het getuigt van een enorm onvermogen als de Kamer zou kiezen voor een terugkeer naar de situatie van voor 2012. Er is alle aanleiding om deze kabinetsformatie aan een kritische beschouwing te onderwerpen, maar voor het op dit terrein reanimeren van de koning is geen enkele reden. De politiek zal het toch echt zelf moeten oplossen.

Nederland kent met de beëdiging van de nieuwe ministers na ruim zeven maanden eindelijk weer een volwaardig kabinet. De bevalling duurde, nadat de kiezer op 15 maart massaal was opgekomen om te stemmen voor een nieuwe Tweede Kamer, tergend lang. Het gevolg is een deprimerend record waar tot nu toe door de directbetrokkenen verontrustend achteloos aan voorbij is gegaan. Toch vereist de democratische wanvertoning van de voorbije zeven maanden een ruimhartige verantwoording.

Voorzitter Johan Remkes van de staatscommissie Parlementair Stelsel, in het dagelijks leven commissaris van de koning in Noord-Holland, bestempelde vorige week de kabinetsformatie als de zwakke schakel in het parlementair systeem. In dit verband sprak bij over een „black box”. Hij heeft gelijk. Alleen jammer dat oud-premier Drees al ruim een halve eeuw geleden exact hetzelfde signaleerde. Het zegt iets over de urgentie waarmee de eerstverantwoordelijken dit probleem willen aanpakken.

Te hopen valt dan ook dat het volgende week bij het debat over de regeringsverklaring, wanneer ook wordt teruggekeken op de formatie, het tot meer komt dan de obligate dooddoener dat het nu eenmaal niet anders kan in een coalitieland. Daarvoor zijn er te veel coalitielanden in de wereld waar wel binnen een redelijke termijn en in minder beslotenheid een regering kan worden gevormd. Landen die het bovendien allemaal zonder koning kunnen.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.