Recensie

Platte kunst is lekker verleidelijk

Tentoonstelling De kunst van Tal R is een explosie van energie, een brok levenslust en scheppingsdrift. Onmiskenbaar op het manische af. Dat werkt heel aanstekelijk, maar je voelt voortdurend twijfel.

Tal R, Heavy Air (2002)
Tal R, Upstairs (2005)
Tal R, Heavy Air (2002) en rechts Upstairs (2005)

Eén grote snoepwinkel, vol spekkies, bruisballen, zure matten, toverballen en een enkel brok kauwgum, dat is de grote tentoonstelling Academy of Tal R die nu in Museum Boijmans Van Beuningen is te zien. En ja, dat is een saaie constatering. Wie de snoepwinkelmetafoor namelijk even tot zich laat doordringen, weet al waarop dit stuk gaat uitkomen. Inderdaad, het werk van de tintelend-hippe Deens-Israëlische kunstenaar (1967) is overdadig, kleurrijk en verleidelijk maar het mist diepgang en complexiteit – eet er kortom niet te veel van, want je wordt hartstikke misselijk. En chagrijnig ook, want het is nooit prettig, achteraf, om je door zoveel platheid te hebben laten meeslepen.

Dat klopt allemaal. Maar toch is er meer aan de hand.

Want Tal R streeft welbewust naar de oppervlakte. Naar verleiding. Niet omdat hij plat werk wil maken: Tal wil de kunst terugbrengen tot zijn meest elementaire functies: kijken, ervaren, fantaseren – en niks meer. Geen conceptualisme voor Tal, geen verwijzingen naar de kunstgeschiedenis, geen engagement, maar kleur, vorm, beeld, fantasie – en vrolijke, vrije toeschouwers. Zijn werken, schilderijen en beelden, zijn altijd kleurrijk, vol, een tikje naïef met verwijzingen naar ‘primitieve’ kunst, balancerend op de grens van figuratief en abstract, en toch valt er altijd wel iets in te herkennen – veel dieren, ramen, deuren en piemels, maar ook vrolijk stuiterende geometrische vormen en perspectivische grappen. Zoals een wandtekst verklaart: „Tal R maakt kunst omdat hij niet anders kan. Accepteer gewoon dat zijn werk er is en ga er een relatie mee aan. [...] Dat is meer dan genoeg.” Een bijna vertederende naïviteit spreekt daaruit, die tegelijk in zijn ambitie behoorlijk irritant is. Want hoe leid je als kunstenaar je publiek naar zo’n ervaringsnulpunt? Hoe krijg je de toeschouwer zo ver dat die bereid is al zijn kennis, elk vermogen tot associëren, elk verlangen tot verbinden en verdiepen uit te schakelen? En waarom zou je dat eigenlijk willen? Kunst gaat toch juist over die enorme, complexe, ongrijpbare rijkdom van ideeën en associaties?

Tal R, Swan Lake (2016)
Tal R, Vogel (2016)
Tal R, Keyhole (2016)

Leegte

Maar dit grote streven maakt Tals werk ook interessant – je vermoed dat hij gedoemd is te falen, maar zijn ambitie, zijn grote gretigheid maken dat je toch nieuwsgierig wordt en beter gaat kijken. Want één ding is vanaf het begin wel duidelijk: Tal wil zelf héél graag. Zijn werk is een explosie van energie, vergelijkbaar met die van collega’s als Daniel Richter en Jonathan Meese – een brok levenslust en scheppingsdrift, onmiskenbaar op het manische af. Dat werkt aanstekelijk, maar tegelijk voel je voortdurend zijn eigen twijfel: is dit wel genoeg? Moet ik niet toch wat betekenis geven? Is dit streven naar leegte niet zelf een vorm van inhoud? En dat slaat weer over op jou, de passieve toeschouwer die alleen maar mag kijken. Besta je eigenlijk alleen maar als rechtvaardiging van Tals scheppingsdrift, of word je zelf ook beter van zijn werk?

Daar wringt het dus alsnog – gelukkig. Want hoe je het ook wendt of keert: elke keer als Tal er in slaagt de leegte werkelijk te benaderen is er geen hout aan. Neem de enorme installatie House of Prince, die bestaat uit 191 kleine, meest abstracte, collageachtige schilderijtjes – ze lijken wel een beetje op de scheurwerkjes van gekleurd papier die je vroeger op school moest maken. Dat niveau overstijgen ze nauwelijks: 191 keer decoratie, vrijblijvendheid, behang, waar Tal alleen maar wat spanning in krijgt door er vijf rechthoekige lampen tussen te hangen die de zaal in een mysterieus geel licht zetten en de monotonie nog enigszins doorbreken.

Clown

Blijkbaar houdt Tal dat zelf ook niet vol – maar dat besef je pas als je gaat zien hoeveel subtiele verwijzingen naar obstructie, frictie en tegenwerking er, bijna Tals ondanks, in zijn werk opduikt. Vooral in de schilderijen zitten opvallend veel sleutelgaten en deuropeningen – objecten die een rechtstreekse blik blokkeren en een contrast en spanning oproepen die lang niet altijd even onbekommerd zijn. Cruciaal is in dit opzicht ongetwijfeld het schilderij Elephant Behind Clown Through Keyhole (2009). Daarop zien we een groot sleutelgat waar we doorheen kunnen kijken: in de groene ruimte staat een ouderwetse clown met geheven armen die zowel blijheid als wanhoop zouden kunnen uitdrukken. Boven hem uit torent een groot, dreigend zwart beest – het zou inderdaad een olifant kunnen zijn maar evengoed een monster of een nachtmerrie. En ineens besef je dat dit doek Tals werk perfect verbeeldt: hij wil dolgraag de onbekommerde clown zijn, maar ondertussen voelt hij voortdurend het monster in zijn nek – het monster van de ernst, van de zwaarte, van de gelaagdheid. Van de kunst misschien zelfs wel.

Tal R, Elephant behind clown through keyhole 2009)
Tal R, Elephant behind clown through keyhole 2009)

Kijk, daar staat ie dan. En hij kan niet weg: als hij de ernst toelaat is hij geen clown meer, maar een ‘gewone’ kunstenaar – en niet per se een hele goede. Tals artistieke bestaansrecht bestaat juist uit dat streven, dat worstelen met dat eeuwig onvervulde, maar hoe lang hou je dat vol, hoe kun je de oppervlakte blijven koesteren als de diepte er voortdurend doorheen sijpelt als water door een half-lekke dijk? Zo bekeken, besef je dat Academy of Tal R inderdaad een snoepwinkel is, maar dan zo een waarvan de eigenaar, met feestneus en clownspruik achter de toonbank, zelf al jaren geen bruisbal meer naar binnen krijgt. En die ook niet weet wat hij dan wel moet eten of doen – en ondertussen trekt hij nog maar eens een grimas en verkoopt maar door. Daar zit Tals tragiek. Die maakt dit mooi.