‘Ik wil duidelijk maken dat Polynesische culturen niet stilstonden’

Etnografica

Steven Hooper groeide op tussen de maskers, zwaarden en schilden uit Polynesië die zijn grootvader kocht op rommelmarkten. Nu is hij professor in de etnografie. „Ik vond die objecten als kind al de normaalste zaak van de wereld.”

Steven Hooper stelde samen met zijn grootvader de catalogus 'Art & Artefacts of the Pacific, Africa & the Americas: the James Hooper Collection' samen. Foto Andy Crouch

Van het Metropolitan Museum in New York tot het Fijian Art Museum in Fiji: waar ter wereld professor Steven Hooper ook komt, hij komt er voorwerpen tegen uit het huis waarin hij opgroeide. Hooper (66) is de kleinzoon van James Thomas Hooper (1897-1971), de beroemde verzamelaar van Polynesische gebruiksvoorwerpen.

Als kind woonde Steven Hooper in het huis van zijn grootvader, een verdieping boven ‘The Totems Museum’, de tentoonstelling die zijn opa voor de verzameling had ingericht met ruim 1.700 objecten uit onder andere Nieuw-Zeeland, Hawaï, Fiji en de Paaseilanden. De voorwerpen werden vanaf de achttiende eeuw meegenomen naar Groot-Brittannië door kolonisten, handelaren en missionarissen. James Hooper kocht de beelden, zwaarden en maskers, bijna altijd gebruikt in rituelen, voor weinig geld op rommelmarkten. Hij reisde nooit zelf naar Polynesië. „Ik denk dat hij zijn romantische beeld van de eilanden niet wilde doorbreken”, zegt Steven Hooper.

James Hooper in zijn Totems Museum, omringd door voornamelijk Afrikaanse voorwerpen (ca. 1958). In zijn handen een geprepareerd menselijk hoofd van de Shuar uit Zuid-Amerika.
Foto courtesy Steven Hooper
James Hooper in zijn Totems Museum, omringd door voornamelijk Afrikaanse voorwerpen (ca. 1958). In zijn handen een geprepareerd menselijk hoofd van de Shuar uit Zuid-Amerika.
Foto Courtesy Steven Hooper

De ‘Hooper Collectie’ van zijn grootvader is na diens overlijden verkocht en opgedeeld, maar staat bij verzamelaars van etnografische objecten nog altijd zeer hoog in aanzien. Alle grote musea met tribal art hebben Hooper-voorwerpen in de collectie.

Zelf reist Steven Hooper nu de wereld over als professor gespecialiseerd in wat zijn grootvader als hobby verzamelde. Deze week is hij voor een lezing op de Tribal Art Fair in Amsterdam, de grootste beurs voor etnografische kunst in Nederland.

„Voor mij waren de objecten van mijn grootvader indertijd de normaalste zaak van de wereld, ik zag ze iedere dag”, vertelt Hooper in zijn kantoor in het Sainsbury Centre for Visual Arts in het Oost-Engelse Norwich. Daar geeft hij sinds 1986 leiding aan een team van wetenschappers dat onderzoek doet naar de oorsprong en culturele betekenis van etnografische objecten.

Ook hier zijn de Polynesische voorwerpen van zijn grootvader vlakbij: in het moderne gebouw van architect Norman Foster wordt ook de collectie van Robert en Lisa Sainsbury tentoongesteld, met daarin een enkel Hooper-stuk. Objecten gemaakt in Zuid-Amerika en Oceanië staan tussen twintigste-eeuwse schilderijen van Giorgio Morandi en Francis Bacon. Alles hangt door elkaar.

„Deze opstelling imiteert een huiskamer”, vertelt Hooper. „De Sainsbury’s verzamelden wat ze mooi vonden, niet omdat ze een bepaalde stroming wilden begrijpen.” Zijn werk is anders: „Ik wil stijlen en stromingen in kaart brengen; duidelijk maken dat culturen van Polynesië niet stilstonden, maar zich permanent ontwikkelden.”

Het was niet direct vanzelfsprekend dat Hooper etnografisch expert zou worden. Hij begon met een studie sociologie, „maar toen rond mijn twintigste mijn opa werd gediagnosticeerd met kanker, begon ik me af te vragen wat er met de collectie zou gebeuren wanneer hij er niet meer zou zijn. We zijn geen rijke familie, dus de verzameling zou verkocht moeten worden. Ik wilde documenteren wat hij had bereikt.”

Hooper nam een aantal maanden vrij van zijn studie om samen met zijn grootvader de verzameling in kaart te brengen. „Hij had ontzettend veel informatie in zijn hoofd opgeslagen, allemaal dingen die hij uit boeken wist, of hoorde op de rommelmarkten waar hij kocht.”

Afrikaanse objecten op een tentoonstelling in Hertfordshire 1954. Foto courtesy Steven Hooper

Vijf jaar na de dood van zijn grootvader, in 1976, verschijnt Art & Artefacts of the Pacific, Africa & the Americas: the James Hooper Collection. Steven Hooper is dan 25. Het boek wordt nog steeds veel gebruikt in de wereld van etnografische kunst. Tweedehands exemplaren van de catalogus (oplage 2.000 stuks) kosten op internet minimaal 800 euro. Hooper: „Verzamelaars die een object uit de collectie hebben willen graag een boek om dat aan te tonen.”

De collectie raakte na veilingen en schenkingen verspreid over de hele wereld. Hooper: „Met de catalogus hebben we ervoor gezorgd dat de alles in ieder geval in het boek nog bij elkaar is.”

Objecten uit de collectie van uw grootvader brengen op veilingen meer op dan objecten die niet zijn label dragen. Hoe komt dat?

„Mijn opa heeft de reputatie dat hij een uitstekend oog had voor kwaliteit. In een markt met veel namaak zijn handelaren op zoek naar zekerheden, betrouwbare namen. Hooper is daar één van.”

Er wordt in Polynesië vaak met een gevoel van jaloezie gekeken naar wat Polynesische objecten opbrengen.

Is de catalogus verouderd?

„Ik heb tot op heden geen fouten gevonden in de toeschrijvingen van herkomst, ondanks dat ik toen echt een beginner was. Wel zijn de tekstjes behoorlijk naïef.”

Kunt u verklaren dat de interesse voor niet-westerse kunstobjecten zo drastisch is gegroeid?

„Tot halverwege de twintigste eeuw werden deze objecten als ‘primitief’ gezien, en niet als kunst. Dat is totaal gekanteld. Maar er is ook een pragmatische reden: sommige westerse kunst is onbetaalbaar geworden, dan wijken verzamelaars uit. Overigens overstijgen de prijzen voor tribal art soms die van vergelijkbare westerse kunst. Neem de zogenaamde ‘Benin Bronzen’ [gemaakt tussen de veertiende en negentiende eeuw in wat nu Nigeria is, red.], die brengen vaak een veelvoud op van Europees brons uit dezelfde periode.”

Profiteren Polynesiërs nu van die toegenomen interesse?

„Er wordt in Polynesië vaak met een gevoel van jaloezie gekeken naar wat Polynesische objecten opbrengen. Dat is ook logisch wanneer je ziet dat een object dat in de achttiende-eeuw voor twee bijlen is geruild, nu op een veiling een miljoen opbrengt. Dat voelt scheef. ‘Zijn we uitgebuit?’, is dan de vraag die opkomt.

„Maar veel van de transacties toentertijd werden als eerlijk beschouwd – door beide partijen. Je hebt dan nu juridisch gezien geen recht meer op het eigendom, maar ethisch ligt het ingewikkelder.”

Europeanen namen ook op minder respectvolle manieren objecten mee uit Polynesië. Als voorbeeld noemt Hooper missionarissen die voorwerpen roofden. „Ze namen ze mee om hun succes aan te tonen: ‘Kijk eens, mensen zijn bereid hun eigen idolen op te geven’. Maar ook om te laten zien hoe vaardig de Polynesiërs waren en dat ze het dus waard waren om bekeerd te worden. Door er merktekens op te zetten ontdeden de missionarissen de beelden vaak van hun ‘magische’ krachten. Die merktekens zijn voor huidige verzamelaars overigens interessant, want ze vertellen iets over de herkomst en geschiedenis.”

Het Nederlandse Rijksmuseum gaat de herkomst van objecten uit de koloniale collectie onderzoeken.

„Over het specifieke geval van het Rijksmuseum weet ik niet zoveel. Dat musea hun collectie kritisch aan het bekijken zijn is een wereldwijde trend. Als publieke instellingen voelen zij een extra verantwoordelijkheid. Handelaren zijn hier veel minder mee bezig. Het is vaak ingewikkelde, omdat lang niet altijd exact duidelijk is hoe objecten ergens terecht zijn gekomen.

„Ik heb bemiddeld over de teruggave van een Maori staf uit Nieuw-Zeeland, die zonder vergunning illegaal naar Groot-Brittanië was gekomen. Uiteindelijk heb ik de nabestaanden van de verzamelaar kunnen overtuigen die staf terug te geven.

„Toch waren de Polynesiërs lang niet altijd slachtoffers. Zij hadden zeer ontwikkelde manieren om handel te drijven met de Europeanen, en maakten ook objecten specifiek voor de Europese markt.”

Zijn dat soort objecten dan wel interessant om te onderzoeken?

„Wat mij betreft wel. Het laat zien dat de Polynesiërs zich bewust aanpasten op de komst van de nieuwelingen. Daarom is het belangrijk om deze voorwerpen altijd in Europese én Polynesische context te bestuderen.”

De Tribal Art Fair is van 27 t/m 29 okt. in De Duif, Amsterdam. Steven Hooper geeft op 27 okt. om 14 uur een lezing over sieraden uit Fiji, Tonga en Samoa. Zie: tribalartfair.nl