Nieuwe hoop voor de achterblijvers

Vermissingen 150.000 DNA-monsters, een enorme databank. Dinsdag opende in Den Haag een laboratorium voor de opsporing van vermisten.

Levensgrote foto’s herinneren aan vermiste en vermoorde leden van de Patriottische Unie, een linkse politieke partij, bij een recente herdenking in Bogota van slachtoffers van de Colombiaanse burgeroorlog. Foto Raul Arboleda/AFP

„Wij doen het niet voor doden, maar voor de levenden”, zegt Kathryne Bomberger, de Amerikaanse directeur van de Internationale Commissie voor Vermiste Personen (ICMP). „Nabestaanden hebben recht op de waarheid over vermisten, of op bewijs in een strafzaak. Het kan een mentale kwelling zijn om niet te weten wat er met een familielid is gebeurd.”

De ICMP, een internationale organisatie voor identificatie van vermisten, presenteerde dinsdag vol trots haar nieuwe laboratorium in Den Haag. Daar wordt, op een verdieping van een grijs kantoorgebouw in het centrum, getracht DNA van omgekomen migranten en slachtoffers van gewapende conflicten, natuurrampen en mensenhandel thuis te brengen. Om dat te ‘matchen’, liggen er 150.000 lichaamsmonsters, vooral van familie van vermisten. De gegevens ervan zitten in een databank.

Het is de bedoeling dat het laboratorium tienduizend zaken per jaar afhandelt. Het ICMP is vooral hoopvol over een nieuwe techniek, Massively Parallel Sequencing. Daarmee is het mogelijk verre familie sneller en goedkoper te herkennen. „Door nieuwe technologie kunnen we in DNA lezen waar mensen biologisch gezien ongeveer vandaan komen, of dat bijvoorbeeld uit de regio Afghanistan is, of uit de Hoorn van Afrika”, zegt Bomberger. „Zo weten we waar we heen moeten als we gerichter DNA van verwanten willen verzamelen.”

De instrumenten van de ICMP zijn de databank en het laboratorium met machines om DNA te extraheren, te verwerken tot een chemische soep – zoals ze dat daar noemen – en op glas uit te lezen. Enveloppen met DNA, vaak uit bloed of wangslijm van verwanten, komen onder meer via ngo's binnen.

De databank is nadrukkelijk bedoeld voor onvrijwillig vermisten, zegt Bomberger. „Wie zegt: ik heb het gehad met mijn familie en verdwijn, komt niet in onze databank.”

De ICMP werd in de jaren 90 opgericht om te helpen identiteiten vast te stellen van 40.000 vermisten van de strijd in voormalig Joegoslavië. Nu is ze vooral actief in Irak, Libië en Libanon. Onlangs begon een project om slachtoffers te identificeren van vijftig jaar burgeroorlog in Colombia.

Met haar expertise op het gebied van grootschalig DNA-onderzoek verleende de ICMP assistentie bij het onderzoek naar de slachtoffers van de MH17-ramp en de aanslagen op het World Trade Center in New York. Ze werkte ook met Bosnische en Nederlandse overheden samen om de 8.000 slachtoffers van de massamoord in Sreberenica te identificeren. Dat is voor ruim 90 procent gelukt.

Dat Bomberger met haar organisatie in Den Haag neerstreek, komt mede door het werk dat ze doen voor het Internationaal Strafhof. „We hebben in totaal bewijs geleverd in dertig internationale criminele zaken.”

Den Haag is ook een betere plek om financiering te regelen dan Sarajevo, waar het hoofdkwartier tot vorig jaar huisde. De ICMP, met zo’n honderdvijftig werknemers, wordt vooral betaald door overheden die zich achter een specifiek project scharen. Het is echter lastig geld te vinden voor DNA-matching van verdronken migranten in de Middellandse Zee. Bomberger: „Het heeft vier jaar geduurd voordat we genoeg geld hadden om in Syrië te opereren, waar 65.000 mensen zijn verdwenen.”

ID-kaart begraven

De Syriër Muhanad Abdul Husn vluchtte jaren geleden naar Nederland en helpt de ICMP nu met het netwerk dat hij in Syrië opbouwde toen hij er mensenrechtenschendingen vastlegde. „Een vermist familielid, dat vreet aan je. Ik ontmoette in Syrië een vrouw die was verteld dat haar 25-jarige zoon in de gevangenis was omgekomen, maar ze had zijn lichaam niet gekregen. Om zichzelf te overtuigen van zijn dood, begroef ze zijn foto en zijn identiteitskaart. Ze bleef grote moeite hebben om het te geloven.”

Ook de Zweedse Ingrid Gudmundson sprak dinsdag bij de opening van de databank. Ze verloor haar ex-man, dochter en kleindochter in de tsunami van Kerstmis 2004. Haar familie was toen op het Thaise eilandje Khao Lak, zij thuis in Zweden. Haar ex-man werd in februari geïdentificeerd, haar dochter in maart. Bij haar kleindochter van 1 jaar duurde het langer. Door een houten speeltje waar nog veel DNA van de baby aan zat over te dragen aan de ICMP, lukte het om het meisje in juli te identificeren. „Ik wilde ze samen in een graf hebben. Dat geeft nog iets van rust.”