Nafluiten en sissen

Deze week hoorde ik een man op straat fluiten naar een meisje. Ik vond de timing opmerkelijk. Hoewel nafluiten op straat op het spectrum van ongewenst seksueel gedrag laag scoort, hoort het daar wel degelijk thuis, en dergelijk gedrag staat nu volop in de schijnwerpers.

Het meisje keek niet op of om. Ik vermoed dat ze het helemaal niet had gehoord; ze had ‘oortjes’ in en leek grotendeels afgesloten van de buitenwereld.

Fluiten maakt deel uit van onze taal. Een menigte kan iemand, bijvoorbeeld een voetballer of scheidsrechter, uitfluiten. Maar met twee langgerekte fluittonen, waarbij de tweede in een boogje omlaag gaat, zeg je zoiets als „Hé, lekker ding” of „Lekker stuk”.

Er bestaan ook particuliere fluitsignalen. Als mijn zussen of ik vroeger tijdens vakanties te lang uit beeld waren, floten mijn ouders ons met een bepaald familieriedeltje naar zich toe.

Ik hoor weleens meisjes naar een jongen fluiten, maar meestal gaat het dan om giechelende pubermeiden. Omgekeerd is het vaker een volwassen man. Van mijn moeder mocht ik per se niet naar meisjes fluiten; dat was ordinair. Hoe internationaal zijn die twee tonen waarmee mannen meisjes en vrouwen nafluiten en sinds wanneer doen zij dat? Op die eerste vraag moet ik het antwoord helaas schuldig blijven – wellicht weten lezers van deze rubriek meer. Ik heb de indruk dat het om een verschijnsel gaat dat vooral in West-Europa en de VS in deze vorm bekend is.

Inmiddels heeft het nafluiten van meisjes en vrouwen concurrentie gekregen van nasissen (pssst, pssst), een gewoonte die bij mijn weten is meegekomen met immigranten uit met name (Noord-)Afrika. Mijn indruk is dat Nederlandse vrouwen nafluiten vaak onschuldig vinden („Ik vond het een beetje confronterend toen het stopte”) maar sissen als zeer intimiderend ervaren.

Wie zich in de geschiedenis van het woord nafluiten verdiept, stuit eerst op iets heel anders, namelijk op de gewoonte van straatjongens om populaire schlagers na te fluiten. Vanaf het eind van de negentiende eeuw, dus vóór de uitvinding van de radio, was dat een zeer algemeen verschijnsel. De Haagsche Courant schreef in 1898 dat het prettige van Wagner was dat hij vrijwel „niets geschreven heeft, wat de jongens op straat kunnen nafluiten” – bij andere componisten was dat wel anders.

Over nafluiten en -roepen schreef iemand in 1926 aan het Rotterdamsch Nieuwsblad: „Dit is wel het ergste: het naroepen en nafluiten van jonge meisjes en vrouwen. Het is meer dan treurig tegenwoordig, welk een gemeene taal men dagelijks op de straten hoort. Eergisteren wandelde ik over de Admiraliteitskade en voor mij uit liep een jonge vrouw. Zeker tienmaal heeft die een ordinair woord zich hooren toe roepen door de aldaar werkende kolenarbeiders.”

Vanaf de jaren vijftig lees je vooral over nozems die meisjes nafluiten. Daarna vaak over stratenmakers en hangjongeren. In Engeland werd het nafluiten van meisjes overigens al in 1958 bestraft. Onder de kop ‘Fluitende charmeur in Engeland beboet’ meldde De Telegraaf indertijd: „Het nafluiten van een meisje, dat met een andere jongen op straat voorbijwandelt, wordt in Engeland als een overtreding beschouwd. Een Londense rechter veroordeelde de 20-jarige Geoffrey Rose gisteren wegens zulk een ‘beledigend gedrag’ tot een boete van vijf pond.” Bij ons is het nooit zover gekomen. Wellicht gaat dat alsnog veranderen. In Rotterdam wordt seksueel getinte ‘straatintimidatie’ in ieder geval vanaf 2018 strafbaar.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders