Column

Apekooien is eng maar het moet wel

Joyce Roodnat

Joyce kijkt naar de Vlaamse actrice Sara De Roo. Ze houdt van haar werk, maar De Roo raakt de draad kwijt.

Elvida (Wendy Roobol) en Penelope (Marike Verbeek) in ‘Odysseus: een stationsopera’ van Opera Minora. foto Erik van Zuylen

In de Toneelschuur in Haarlem speelt de Vlaamse actrice Sara De Roo. Ik houd van haar werk, daarom zit ik hier.

Maar ineens is het afschuwelijk. De Roo raakt de draad kwijt. Terwijl ik nog zit te hopen dat het bij het stuk hoort, zegt zij, dwars door zichzelf heen: „Een lekkere soep vanavond, sorry hoor.” Het komt niet goed, ze jakkert verder. Haar ogen staan star nu. Opnieuw onderbreekt ze haar spel: „Ik heb gisteren een dierbaar iemand begraven, misschien heeft het daarmee te maken.” Schadenfreude? Geen sprake van. Theaterpubliek is solidair. Ingelijfd bij De Roo’s moed der wanhoop doen we of we niks merken. Ook ik zet me schrap en denk aan hoe erg ik het vond toen ik prima ballerina Alexandra Radius onderuit zag gaan. Uitgerekend zij. Ik was er misselijk van.

Sara De Roo ploetert naar het einde en definieert onbedoeld hoezeer de podiumkunsten op risico gebouwd zijn. Of ze nu zingen, dansen of acteren, performers moeten op scherp staan. Ze moeten tot het uiterste gaan, anders is hun werk de moeite niet waard.

De volgende avond sta ik in Rotterdam op perron Blijdorp. Ik wil naar de voorstelling van Opera Minora. Dat gezelschap parachuteert kameropera’s in de openbare ruimte. Beroemd werd hun Orpheus in de Maastunnel. Nu doen ze Odysseus: een stationsopera. Scarlatti’s ‘Penelope la casta’ begint op dit perron. Wie hier staat, wordt publiek van een opera. We laten de metro’s voorbijgaan, we wachten. Daar is Odysseus, een reiziger als wij, vergezeld van nog wat reizigers. Ze zingen. Het klinkt fantastisch, niet ondanks maar dankzij het beton van de metrobuis. We stappen met zijn allen in, in het treinstel gaat het zingen door. Op Rotterdam CS wacht Penelope ons op bij de tourist information. Ze houdt het wachten niet meer vol, zingt ze: „Ulisse, dove sei?” - Odysseus, waar ben je? Ze zou weg kunnen vallen in de enorme ruimte. Maar nee. Ze absorbeert alles, zelfs de dienstmededeling die door de stationshal galmt. Net zo neemt de opera vervolgens de stationsrestauratie over. Van daaruit bezien wordt de nachtblauwe stationshal de zee die Odysseus terugbracht – om Penelope te betrappen in de armen van een vrijer. Denkt hij. Die vrijer roert trouwens af en toe in de pannetjes van het restaurant. En intussen maar zingen. De illusie is fragiel, maar alles gaat goed. Stuk en werkelijkheid versmelten. En ik smelt mee.