Advocaat krijgt te weinig betaald voor rechtsbijstand

Rechtsbijstand Het systeem waarbij advocaten een vergoeding krijgen van de overheid voldoet niet meer, schrijft de commissie-Van der Meer.

Deel van de digitale rechtszaal in het paleis van justitie in Den Haag. Foto Roel Visser/ANP

Er is te weinig geld beschikbaar voor de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, waardoor advocaten te weinig betaald krijgen om hun werk goed te doen. Daardoor neemt de kwaliteit van de rechtsbijstand af en dat raakt „het fundament van de rechtsstaat”. Dat concludeert de commissie-Van der Meer, die onderzoek deed naar het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. Het systeem is volgens de naamgever van de commissie toe aan „achterstallig onderhoud”.

Het puntensysteem dat het aantal uren gefinancierde rechtsbijstand regelt, voldoet niet meer nu zaken juridisch steeds complexer worden en mensen mondiger, concludeert de commissie. Het gevolg: advocaten werken veel uren die ze niet vergoed krijgen.

Het systeem werkt zo: mensen met een inkomen onder de 25.000 euro per jaar kunnen via de rechtsbijstand een advocaat krijgen. Die wordt betaald volgens een vooraf door de overheid vastgesteld puntenaantal. Elke type zaak heeft een aantal punten – één uur werk zou moeten overeenkomen met één punt. Die puntenaantallen zijn eind jaren negentig vastgesteld.

Sindsdien is de werklast toegenomen, maar de puntenaantallen en daarmee de vergoedingen niet. Vooral in delen van het familierecht (bijvoorbeeld echtscheidingszaken) besteden advocaten meer tijd aan een zaak. Gemiddeld werken advocaten daar 22 uur aan een zaak, terwijl ze maar 10 uur betaald krijgen.

Advocaten komen daardoor niet aan het volgens de overheid vastgestelde „redelijke inkomen”, concludeert de commissie. Wettelijk ligt vast dat een advocaat die rechtsbijstand verleent, daar jaarlijks ongeveer 40.000 euro netto aan moet kunnen overhouden. Dat is gebaseerd op 1.200 uur werk aan rechtsbijstandszaken per jaar.

Belangrijke oorzaken van de toegenomen werklast zijn dat mensen mondiger zijn geworden en sneller naar de rechter gaan, en toegenomen juridische complexiteit. Wetten en beleid zijn volgens de commissie ingewikkelder geworden.

De overheid is daarmee „aanjager” van het toegenomen aantal zaken, concludeert de commissie. „De overheid zou zich daar meer rekenschap van moeten geven. Wellicht houdt dit rapport ze een spiegel voor en leidt het tot zelfreflectie over hun eigen rol”, zegt commissievoorzitter Herman van der Meer, president van het gerechtshof in Amsterdam.

Hij waarschuwt voor de gevolgen als advocaten onderbetaald worden: „Dat gaat ten koste van de kwaliteit van de geleverde rechtsbijstand. Daar lijdt de rechtsstaat onder.” Van der Meer ziet een toename van zogeheten ‘eenpittersgeneralisten’ – advocaten die wegens een gebrek aan tijd en geld „op te veel rechtsgebieden bijstand verlenen” en zich te weinig bijscholen. Die toename is volgens de commissie een gevolg van de te lage vergoedingen; advocaten proberen „de eindjes aan elkaar te knopen”.

De commissie mocht van haar opdrachtgever het ministerie van Veiligheid en Justitie niet concluderen dat de vergoedingen voor advocaten omhoog moeten. „Een onmogelijke opdracht”, schrijft Van der Meer in het rapport. Geld erbij is wel één van de vier toekomstscenario’s die de commissie presenteert. Om alsnog aan het „redelijke inkomen” voor advocaten te voldoen, zou er 125 miljoen euro extra per jaar naar de rechtsbijstand moeten.

Andere opties zijn volgens de commissie de vergoedingen verder te verlagen, het aantal werkuren op te schrijven, of toegang tot de rechtsbijstand te sluiten als het budget voor een jaar op is. Dat zou al in september het geval zijn – daardoor zouden mensen rechtsbijstand geweigerd worden, en dat mag niet volgens mensenrechtenverdragen. Van der Meer: „De politiek is aan zet, zij moeten scherpe keuzes maken om de in het rapport beschreven problemen op te lossen.”