Hoe de ‘mythe van het verzet’ uit de Nederlandse oorlogsfilm verdween

Oorlogsfilms Wendy Burke schreef een boek over Nederlandse oorlogsfilms. Na Soldaat van Oranje kantelde hier de ‘mythe van het verzet’.

In Soldaat van Oranje (1977) werd goed of fout in de oorlog relatief: hier dansen verzet en collaboratie de tango.

‘Het is 1943. Nederland zucht onder het Duitse juk. Het is nu lang geleden, en sindsdien is er een romantisch beeld ontstaan over de oorlog. Goede Nederlanders die heroïsch strijd leverden tegen de Duitsers en hun handlangers. Zulke heldhaftige vaderlanders zijn er ook geweest. Maar niet iedereen kon zo zijn’.

Met deze voice-over begint de film Pastorale 1943 (1978, Wim Verstappen), naar een boek van Vestdijk uit 1945: „Het verhaal van een volk dat een aardig volk is omdat het weinig helden kent.” In haar in Eye Filmmuseum gepresenteerde boek Images of Occupation in Dutch Film omschrijft cultuurwetenschapper Wendy Burke dit ‘romantische beeld’ als de ‘mythe van het verzet’, die stamt uit de eerste naoorlogse jaren. Kort samengevat: het verzet tegen de bezetter was massaal, helden en schurken stonden lijnrecht tegenover elkaar.

Cijfers spreken dat tegen. In Nederland waren zo’n 25.000 verzetsmensen actief, zo’n 0,3 procent van de bevolking (indertijd negen miljoen). Het aantal collaborateurs was nagenoeg gelijk; zo meldden alleen al 20.000 Nederlanders zich aan bij de Waffen SS. Tel daarbij het aantal NSB’ers op, en je zit al ruim boven het aantal verzetsstrijders – om over meer passieve vormen van collaboratie nog maar te zwijgen. Die heroïsche mythe was nodig om het trauma van de bezetting te vergeten: een vernederd volk, dat grotendeels passief de oorlog uitzat, kon zich zo beter over zichzelf voelen.

Tussen 1945 en 1950 werden met dat doel zeven oorlogsfilms gemaakt, daarna was het publiek ‘oorlogsmoe’. Pas in 1962 volgde een nieuwe oorlogsfilm, het op ware gebeurtenissen gebaseerde De overval, naar een scenario van NIOD–directeur Lou de Jong, over de bevrijding van een Friese verzetsstrijder uit de gevangenis van Leeuwarden. Ook die film bevestigt het bestaande beeld: het verzet was dapper, koelbloedig en vastberaden, de ‘moffen’ waren sadistische schoften.

Maar al een jaar na De overval verschuift dit goed–foutschema, met de film Als twee druppels water van Fons Rademakers, naar het boek De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans. In deze oorlogsfilm wordt gesuggereerd dat de wat sullige hoofdpersoon Ducker zijn heldhaftige alter ego Dorbeck, een koene verzetsstrijder, heeft verzonnen. Bovendien vallen er onschuldige slachtoffers bij zijn onhandige verzetsdaden.

Soldaat van Oranje

Het beeld begint dan al te kantelen, om in de jaren zeventig en tachtig voorgoed te veranderen. Wat zwart-wit was, wordt grijs: de cinema volgt zo het onderzoek van historici als Blom, Lagrou en Van der Heijden. De mythe van het verzet brokkelt af.

Soldaat van Oranje (1977, Paul Verhoeven) is volgens Burke de sleutelfilm in die verschuiving naar een grijze(re) blik op het oorlogsverleden. Elk personage bevindt zich ergens op de schaal van wit naar zwart. Erik (Rutger Hauer), gebaseerd op Engelandvaarder Erik Hazelhoff Roelfzema, is een opportunistische held, Alex (Derek de Lint) sluit zich om geheel begrijpelijke redenen aan bij de SS. Duitsers zijn niet per se slecht, het verzet opereert vaak klunzig.

Films uit de jaren tachtig, zoals Oscarwinnaar De aanslag en In de schaduw van de overwinning (beide 1986) bekrachtigen dit gekantelde beeld. In Zwartboek (2006, Verhoeven) is de scheidslijn tussen goed en kwaad zo troebel, dat oorlogsdeskundige David Barnouw bij de boekpresentatie opmerkte dat „Zwartboek vast geen musical zal worden.”

Burke schreef haar boek in 2014, waardoor er geen ruimte is voor een gitzwarte oorlogsfilm als Riphagen, over de antisemitische, opportunistische pooier die Joden aangaf, met valse beloftes hun rijkdommen aftroggelde en het verzet tegen elkaar uitspeelde. Net als in Zwartboek is de bevrijding hier geen verlossing van het kwaad, maar is het een bittere anticlimax.

Wendy Burke zegt desgevraagd het als „een voordeel” te zien dat zij als Engelse vrouw dit boek schreef. Als buitenstaander staat ze op afstand, maar omdat zij getrouwd is met een Nederlander en de taal leerde, kon ze de films zien en begrijpen. Ze stip in haar boek ook de invloed van de Koude Oorlog op de Nederlandse oorlogsfilm aan. Zo liet Ben Verbong nog in 1981 uit Het meisje met het rode haar weg dat de geëxecuteerde verzetsheldin Hannie Schaft een overtuigd communist was; Schaft werd volgens haar welbewust gedepolitiseerd. „Een prachtige film, maar er had wat meer communisme in gekund”, citeert ze instemmend een recensie uit partijkrant De Waarheid.

En helemaal voorbij is de oorlog in Nederland volgens Burke „nooit”. Twee voorbeelden: Na 72 jaar wordt opnieuw een coldcaseteam samengesteld om de aangever van Anne Frank op te sporen. En de onlangs overleden burgemeester Van der Laan stoorde zich in Zomergasten mateloos aan een scène uit In de schaduw van de overwinning waarin een doodgewoon echtpaar wier fietsen zijn geconfisqueerd een aanbod van de Sicherheidsdienst overweegt om hun ondergedoken Joodse buren erbij te lappen voor ‘kopgeld’ (7,50 gulden). Van der Laan: „Nederlanders hebben over het algemeen, vanaf de eerste dag van de Tweede Wereldoorlog, een rothekel gehad aan de Duitsers. (…) Het is echt bizar om aan te nemen dat de gemiddelde Nederlander wel even Joden zou aangeven om zijn fiets terug te krijgen”.

Om met Rachel (Carice van Houten) uit Zwartboek te spreken: „Houdt het dan nooit op?” Voorlopig nog niet.