In luxe Venezolaans hotel eet je elke dag droog maïsbrood

Klagen in een land waar mensen dood gaan van de honger, doe je niet, schrijft correspondent Nina Jurna, die in haar hotel dagelijks een droge arepa krijgt voorgeschoteld.

Door de hyperinflatie in Venezuela lopen mensen rond met plastic tasjes om alle bankbiljetten te kunnen dragen die ze nodig hebben om boodschappen te doen. Foto Fernando Llano/AP

Hoopvol wacht ik tot de serveerster de deksel optilt van de metalen bak bij het ontbijtbuffet. Maar weer ligt daar, net als de voorgaande ochtenden, niets anders dan een stapel droog gebakken arepas, Venezolaanse maïsbroodjes.

Door de economische crisis en voedseltekorten in Venezuela wordt in dit ‘viersterrenhotel met uitgebreid ontbijtbuffet’ in provinciestad Barinas al dagenlang niets anders geserveerd. Brood is schaars, en voor arepas heb je slechts maïsmeel en water nodig, niet eens eieren.

Die zijn al dagen niet te krijgen, zegt de serveerster als ze de gebakken arepas opschept. Om de gasten een ‘gevarieerd’ ontbijt voor te schotelen wordt er afgewisseld. De ene dag zijn er arepas met geplukt kippenvlees in een waterige saus, een dag later arepas met kleverige zwarte bonen. Nu legt de serveerster plakjes gebakken banaan tussen mijn opengesneden maïsbroodje.

Klagen in een land waar mensen letterlijk doodgaan van de honger, dat doe je niet. Veel Venezolanen eten uit geldgebrek nog maar één, maximaal twee keer per dag en vallen kilo’s af. Zelfs de middenklasse graait hier in vuilnisbakken. President Maduro deed recentelijk een dringende oproep aan de bevolking om konijnen te fokken en eten – die groeien snel en leveren veel vlees op: kip en rundvlees worden met de dag schaarser. De Venezolanen passen zich aan om te overleven, worden vindingrijk en gaan mee met de stroom.

Mensen wachten in de rij voor gesubsidieerd eten in de Venezolaanse stad Guarenas.Foto Fernando Llano/AP

In de bakkerij in een van de nog weinige functionerende winkelcentra sluit ik achteraan in de lange rij wachtenden. Ze staan met pakketten briefgeld in hun hand of plastic zakken tot de nok gevuld met briefjes bolivares, de nationale munt. Door de hyperinflatie is een Amerikaanse dollar nu ruim 30.000 bolivares waard, wat in geen enkele portemonnee past. Als de deur opengaat, stormen de mensen naar binnen. Een vrouw met een kind aan de arm wordt omver gelopen. Twee mannen krijgen ruzie over wie het eerst aan de beurt is. Het is dringen geblazen bij de kassa, waar je volgens Zuid-Amerikaans gebruik eerst betaalt en vervolgens met een bonnetje bestelt bij weer een andere toonbank en verkoopster. „Per persoon niet meer dan tien puntbroodjes!”, roept de bakker in de chaos. Als ik eenmaal aan de beurt koffie en twee broodjes bestel, smeekt een wildvreemde vrouw of ik nog acht extra broodjes voor haar kan kopen, ze heeft vier jonge kinderen thuis en is al aan haar rantsoen van tien.

Het is illustratief voor het humanitaire drama dat zich voltrekt in dit ooit rijkste land van Zuid-Amerika met de grootste aantoonbare oliereserves ter wereld. Door de lage olieprijs en daling van inkomsten, wanbeleid, corruptie en jarenlange nationalisatie met als gevolg een complete vernietiging van de eigen productie, is het land ingestort. Maar het autocratische regime van de socialist Maduro wankelt allerminst. Bij recente regioverkiezingen won zijn partij glansrijk, ondanks opiniepeilingen die juist wezen op groot verlies van het impopulaire regime. De oppositie beschuldigt Maduro van verkiezingsfraude.

Geld heeft Venezuela steeds minder, zelfs niet voor het drukken van geld. Gevolg is dat er niet alleen rijen voor winkels en apotheken staan, maar nu ook voor banken: er is een schaarste aan biljetten. Uit de pinautomaten kun je per dag nog maar maximaal 10.000 bolivares pinnen, omgerekend 35 dollarcent. In voorbereiding op mijn reis helpen vrienden en collega’s dagenlang met zoeken naar contant geld bij diverse geldwisselkantoren. Met veel moeite lukt het 35 dollar te wisselen voor ruim een miljoen bolivares, de stapels biljetten prop ik in een grote tas.

Het einde van de crisis is nog niet in zicht, de implosie gaat langzaam en is rampzalig. „Maar we zijn overlevers”, zegt de serveerster de volgende dag bij het ontbijt. „Heb je al eens arepas met zoet geproefd?”, vraagt ze en smeert zonder mijn antwoord af te wachten, een laag chocopasta op het droge maïsbroodje. „Zolang we dit nog kunnen bakken”, zegt ze, „redden we ons wel.”